Hier zien we hoe stukken land langs de Utrechtseweg ter hoogte van de Werken bij Griftenstein door de Duitse bezetters onder water zijn gezet. (Fotos  RHC Vecht en Venen) De inundaties vonden plaats in april 1945.

 

Meer informatie

Omdat de Duitsers de geallieerde landingen verwachtten, maakten zij een plan om Nederland te verdedigen. Niet alleen wilden zij stellingen laten graven langs de Rijn en de IJssel, maar ook moesten delen van het land onder water worden gezet. Een belangrijke rol speelde daarbij een nieuwe Grebbelinie die van de Grebbeberg tot het IJsselmeer zou lopen. Voor de aanleg hiervan hadden de Duitsers tienduizenden ‘spitters’ nodig. Dat betekende dat de klopjacht op jonge mannen werd verhevigd.

In het voorjaar van 1944 werden al grote stukken grond geïnundeerd. Dat betekende dat ook 4% van het agrarische gebied onder water stond en in Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht zelfs 6,5% van de landbouwgrond. Ongeveer vierhonderdduizend mensen moesten worden geëvacueerd.

De afwatering van het IJsselmeer werd door de bezetter stilgezet zodat het water steeg en de binnenzee een enorm reservoir werd van waaruit men verdere delen van Utrecht en Noord-Holland kon inunderen. De gebieden rond Utrecht werden pas in april 1945 onder water gezet.

Het georganiseerde verzet en de Nederlandse autoriteiten, die zich in Londen en het bevrijde zuiden bevonden, waren erg bezorgd voor verdere inundatie. Als Duitsland in een ‘totaler Krieg’ nog grotere delen van ons land zou laten overstromen, zouden drie of vier miljoen mensen een veilig heenkomen moeten zoeken in de hoger gelegen  gebieden. De vernietiging van bruggen, sluizen en gemalen zou het land voor langere tijd onbewoonbaar maken. Deze overweging speelde een rol in de onderhandelingen met de Duitsers.

DAB

 

Literatuur:

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog dl10B 1e helft p. 34, 87; deel 10B 2e helft p. 1079, 1269-1270, 1441.