In de Gooi- en Eemlander van 12 juni 1935 verscheen het volgende berichtje:

De kantonrechter te Utrecht heeft hedenmorgen bij schriftelijk vonnis veroordeeld H. P. v. d. B. tot V. v. V., burgemeester van De Bilt, tot ƒ 100 boete subs. 20 dagen hechtenis, wegens overtreding van de Hinderwet. Dit betreft het geval, dat de gemeente De Bilt beer liet storten en verwerken op de vuilnisopslagplaats, zonder dat daartoe vergunning was verleend door Ged. Staten. Intusschen heeft de gemeente De Bilt thans daarvoor de beschikking gekregen over een terrein van den heer de Jong Schouwenburg.

 

Meer informatie

De burgemeester in kwestie was Henricus Paulus baron Van der Borch tot Verwolde van Vorden die in 1927 in de gemeente benoemd was. Hij zou tot 1952 burgemeester zijn met een onderbreking van enkele jaren tijdens de Tweede Wereldoorlog

Sinds jaren werden op een terrein aan de Looydijk en de Waterweg dat als vuilnisbelt was bestemd, ook menselijke uitwerpselen gestort. De Gedeputeerde Staten hadden beslist dat er wel afval mocht worden gestort maar geen fecaliën. Omwonenden, die grote hinder van de lucht ondervonden, hadden daarover een klacht ingediend bij de kantonrechter. De burgemeester was niet verschenen en was bij verstek veroordeeld. Hij was tegen dit verstekvonnis in verzet gegaan.

Op 8 mei diende de zaak opnieuw en in twee zittingen werden getuigen gehoord. Namens de burgemeester werd ingebracht dat er een mogelijkheid was gevonden om de beer ergens anders onder te brengen. De mededeling dat de heer De Jong Schouwenburg wel een mogelijkheid zou bieden, bleek echter niet in overeenstemming met de waarheid te zijn.

De kantonrechter Mr. Otten veroordeelde de burgemeester tot honderd gulden boete en wees erop dat het storten van poep nu afgelopen moest zijn omdat hij anders gebruik zou kunnen maken van zijn recht om de straf om te zetten in hechtenis. Bij meer beer zou de burgemeester dus moeten brommen. . Wij zien hem op de foto hierboven te midden van een groep politieagenten. Dat is overigens het Biltse politiekorps in 1930. (Foto Beeldbank d’Oude School)

Gemeenteraad

Op 6 juni stelde de heer Troostheide van de Anti-Revolutionaire Partij in de gemeenteraad vragen over deze kwestie. De Raad had de laatste weken drie keer in de dagbladen berichten moeten lezen over de rechtszaak en hij vroeg zich af waarom Burgemeester en Wethouders de raadsleden niet had geïnformeerd.  De burgemeester deelde mee dat hij al acht jaar naar een oplossing had gezocht en beweerde dat al voor zijn tijd de bak op de vaalt als beerput was gebruikt. De heer Schimmel zei dat dat niet waar was. Verder kwam de kwestie ter sprake, wie de boete moest betalen.

Baron Van der Borch zei: ’Wanneer ik geweten had dat de Raad hierin belang stelde, dan had ik de Raad daaromtrent zeker nader ingelicht.’  En ook: ‘De heren hadden over deze kwestie ook zelf even kunnen komen praten.’  Uiteindelijk beloofde hij, in een geheime zitting nadere mededelingen te doen.

Een nieuw vonnis

Is voor ons dit het einde van het verhaal? In de Nieuwe Utrechtsche Courant van 29 oktober 1935 lezen we het vervolg. De burgemeester was inmiddels tegen het vonnis in hoger beroep gegaan. De Rechtbank sprak de burgemeester vrij  ‘daar hij niet alleen verantwoordelijk gesteld moest worden voor deze zaak aangezien het een gemeentekwestie was en eigenlijk het voltallige college van B. en W. verantwoordelijk was.’

DAB

 

Bronnen:

Gooi- en Eemlander 12 06 1935

Bilthovensche Courant 12 06 1934

Utrechtsche Courant 29 05 1935

Nieuwe Utrechtsche Courant 29 10 1935