Ook in de geschiedenis van de kernen van De Bilt zijn sporen terug te vinden van het Nederlandse slavernijverleden. (Afbeelding: Hollandse koopman met twee tot slaaf gemaakte mannen in heuvellandschap, anoniem, 1700 – 1725. Rijksmuseum Amsterdam.)

 

Meer informatie

We beperken ons in dit feitelijke verslag in hoofdzaak tot de slavernij in Suriname en Caraïben en gaan daarbij niet  in op andere aspecten van het verschijnsel, zoals het lot van de Europeanen die in de zeventiende en achttiende eeuw onder meer door Noord-Afrikaanse kapers slaaf werden gemaakt. De West-Indische Compagnie (WIC) komt aan bod en driemaal – in het geval van de schetsen over ‘Oopjen’, de in Groenekan geboren Joan Gideon Loten en de familie Calkoen – de slavernij in relatie tot de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC).

Over wie gaat het?

Het  betreft in dit beknopte overzicht – op twee belangrijke uitzonderingen na  – met name personen die zelf of in hun (doorgaans rijke en welgestelde) familie een duidelijke relatie met de slavenhandel en –uitbuiting hadden. (Overigens waren bijna alle inwoners van de dorpen bij De Bilt  landbouwers en knechten, die geen enkele relatie met de slavernij hadden.) Naast de inktzwarte kanten van de geschiedenis van de slaaf gemaakte Afrikanen waarmee ook De Bilt te maken had, komen bestrijders van de slavernij aan bod die in de geschiedenis van de zes kernen een rol spelen.

Buitenplaats Voordaan 1: Oopjen Coppit

Oopjen Coppit, de vrouw op het dubbelportret van Rembrandt uit 1643, woonde sinds 1647 op Voordaan. De twee portretten van Oopjen en haar man Marten Soolmans hebben ’s zomers  daadwerkelijk in Voordaan gehangen.

Het Rijksmuseum deed in 2021 t.g.v. de tentoonstelling Slavernij onderzoek naar Oopjen.  Daaruit bleek dat zij flink profiteerde van de slavernij. De familie van haar man Marten was rijk geworden dankzij hun suikerraffinaderij, die direct afhankelijk was van de plantages in Zuid-Amerika. Oopjens tweede man, Martijn Daij of Maerten Daey, werkte voor de Eerste West-Indische Compagnie (1621-1674) in Brazilië. Hij verwekte daar een kind bij een tot slaaf gemaakte vrouw. Nader onderzoek van deze kwestie vindt u HIER. Uit het levensverhaal van Oopjen blijkt hoe de Europese rijkdom direct verband hield met de slavernij in de koloniën. Meer over Oopjen en haar man kan men lezen door HIER te klikken. Door HIER  te klikken kan men een filmpje van School TV  over ‘Maarten en Oopjen‘ en de slavernij bekijken.

Buitenplaats Voordaan 2: de familie Calkoen: onbewezen relatie met de slavernij

Op het kerkhof van Groenekan staat de grote grafkelder van de familie Calkoen, in de achttiende en negentiende eeuw eigenaar van het landgoed Voordaan in Groenekan.  De grafkelder werd gebouwd door Abraham Calkoen. Meer over de grafkelder vindt men door HIER te klikken.  Op de wapensteen van deze familie, boven de ingang van de kelder, staan twee zogeheten ‘morenkopjes’. (Dit hoeft echter niet perse te verwijzen naar slavernij: islamitische bewoners van Noord-Afrika en Spanje werden in het verleden ook als ‘moren’ aangeduid, merkt de heer Romulo Döderlein de Win, heraldisch deskundige in de gemeente, op.),

De kopjes  zijn via de familie Van Loon, medeoprichters van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), in het wapen van de familie Calkoen terechtgekomen (in 1779 trouwde Sara Maria van Loon met Nicolaas Calkoen.) Er is intussen onvoldoende  bewijs om om Abraham Calkoen op grond van alleen morenkoppen te beschuldigen van het profiteren van de slavernij. Meer over deze ‘morenkopjes’  kan men lezen door  HIER  te klikken. Over de familie Calkoen vindt men meer op deze site door  HIER te klikken.

Meer over de WIC

Vanaf 1675 speelde ook de  toen opgerichte Tweede Geoctroyeerde West-Indische compagnie  (WIC), ook wel Nieuwe West-Indische compagnie genoemd, een grote rol in de slavenhandel, met name vanuit West-Afrika. Ze deed dat samen met de Middelburgse Commercie Compagnie. Slavenhandel en –transport waren vanaf 1734 geen monopolie van de WIC meer en waren vrij gegeven, zodat ook andere slavenhalers en handelaren aan het bedrijf gingen deelnemen. In het decennium daarvoor had deze WIC jaarlijks nog 4.000 slaven uit Afrika overgebracht naar Suriname en de Caraïben. De WIC had ook belangen in het beheer en bestuur van de kolonie Suriname met zijn vele door slaven bewerkte plantages: ze nam deel in de zogenaamde Sociëteit van Suriname die daarvoor was opgericht. Deze sociëteit leende, geleid door directeuren, veel geld uit aan planters voor de aankoop van slaven.  Dat werd problematisch toen in 1773 tijdens een financiële crisis veel planters failliet gingen, terwijl er voor meer dan twintig miljoen (200 miljoen euro nu) aan leningen uit stond. De tweede WIC had 10 directeuren en 50 bewindhebbers. Een bewindhebber was bestuurslid van een van de plaatselijke afdelingen of ‘kamers’ van de WIC, waarvan Amsterdam de belangrijkste was.

Deze bestuurders deelden in de rendementen van de slavenhandel en de investeringen in de plantages. Ze maakten deel uit van een brede groep van machthebbers die bestuur en handel van de Republiek in handen hadden. Als ze niet in Amsterdam of Utrecht verblijven, blijken ze te bivakkeren in grote huizen zoals die van Groenekan, Maartensdijk, De Bilt en Westbroek. Plaatsen waar de rijken op hun landgoed vertoefden als ze niet in de Domstad of Amsterdam hoefden te zijn

Andere namen

In de functie van bewindhebber van de WIC komen we in 1735 de rijke Amsterdamse burgemeester en koopman mr. Jan Huydecoper (1693-1752) tegen. Hij was de vader van de in Maartensdijk op het (verdwenen) landgoed Beukenrijk geboren mr. Willem Huydecoper (1744-1815). 

In Westbroek – mogelijk op het Achttienhovense landgoed Collel Weerde – werd Hendrik Maurits van Weede (1737-1796) geboren. (Collel Weerde lag achter de huidige Blauwhoef, aan de Welfferweg 80.) Hendrik Maurits’ voorvader Johan van Weede bezat in Westbroek veertig hectare grond. Hendrik Maurits van Weede was een neef van de Amsterdamse burgemeester Matthijs Straalman. Tot 1773 verbleef Van Weede ook in Utrecht; dat jaar ging hij in Amsterdam wonen, waar hij aan de Kloveniersburgwal een dubbel pand bezat. Onbekend is of hij het goed in Westbroek/Achttienhoven aanhield. In 1775 werd hij bewindhebber van de West-Indische Compagnie.

Bijzonder nauw betrokken bij de slavenhandel lijkt mr. Jan Wolters van de Poll  (1759-1826) te zijn geweest. We ontmoeten hem in 1785 in twee belangrijke functies: die van bewindhebber van de WIC en directeur van de kolonie Suriname. Hij was de zoon van mr. Jan van de Poll (1721-1801), die in ieder geval vanaf 1753 de onderneming van zijn overleden broer Harman van de Poll runde.  Deze firma verdiende naar alle waarschijnlijkheid veel geld in Suriname zoals blijkt uit het aantal van 120 aktes in het Amsterdamse Stadsarchief waarin tussen 1753 en 1787 de naam Harman Van de Poll & Co. voorkomt. Ze bemiddelde in de kolonie tussen kopers en verkopers en planters die hypotheken namen. Het is niet uitgesloten dat door Van de Poll met de slavenhandel verdiend geld geïnvesteerd is in de aankoop van Meijenhage in 1792 en Jagtlust in 1797. Meer over hem kan men lezen door HIER te klikken.

In september 2008 was in de hal van het gemeentehuis van De Bilt een tentoonstelling te zien van  slavenringen. In OSO, tijdschrift voor surinamistiek en het Caraïbisch gebied (jaargang 28, april 2009, pag. 202) leest men naar aanleiding van deze expositie:

Enkele sporen van een historische relatie met de slavernij zijn nog zichtbaar in Biltse gebouwen. Zo ligt in de dorpskerk van De Bilt een achttiende-eeuwse grafsteen van de familie Ameldung, […] [de toenmalige ] eigenaar van het […] landgoed Oostbroek. Het familiewapen bevat twee negerkopjes.  De familie Ameldung had in de achttiende eeuw eigendommen in Suriname en hield mogelijk ook slaven.”

Het Groenekanse Schades hoeve, Joan Gideon Loten en de VOC

De VOC speelde geen rol van betekenis bij de trans-Atlantische slavenhandel. Wel gebruikte de maatschappij in Azië inlandse slaven en voerde zij slaventransporten uit. Uit Afrika (Madagascar, Kaap de Goede Hoop en Mozambique) werden slaven naar Oost-Indië getransporteerd.  Meer daarover kan men lezen door HIER te klikken.

In   juni 2010 vond in het kerkje van Blauwkapel een klein symposium plaats over Joan Gideon Loten, (1710 een internationaal belangrijke Groenekanner uit de achttiende eeuw, gouverneur van Colombo voor de VOC en befaamd lid van de Engelse Royal Society, wiens monument men in Westminster Abbey kan bewonderen. Loten zag het licht in 1710 op de Groenekanse hofstede Schades Hoeve ook wel Swanenburg geheten. De jonge Joan werd kort daarop gedoopt in hetzelfde kerkje. (Het landgoed van de familie Loten  ging in de negentiende eeuw over in handen van de familie Grothe, die het integreerden in  het gebied van Voordaan.)

Voorafgegaan door een korte bijdrage van Anne Doedens over Loten en de Nederlandse Verlichting (HIER  te lezen) hield de pas gepromoveerde dr. Lex Raat drie eeuwen na diens geboorte een voordracht over de hoofdpersoon van zijn dissertatie, Joan Gideon Loten.  In dit Leidse proefschrift (te vinden door HIER te klikken) kan men veel sporen van het Nederlandse slavernijverleden terugvinden.

Loten was zeer welgesteld door de erfenis die hij als enige en universele erfgenaam kreeg van de in 1753 gestorven Nathanael Steinmetz, voormalig gouverneur en directeur van Ambon. Dit legaat verschafte Loten financiële onafhankelijkheid gedurende de rest van zijn leven. In het testament van Steinmetz is onder meer sprake van de Balinese slaaf Patas en drie vrouwelijke slaven (die overigens niet in handen van Loten kwamen).  Loten erfde ook tien aandelen in de Amphioen Sociëteit die in opium handelde. Loten was via zijn moeder een neef van Otto Jacobus Severijn (gestorven op Curaçao in 1719), commissaris van de slavenhandel op Curaçao. Loten was getrouwd met Anna Henriëtta Van Beaumont. Deze had op Ceylon vrouwelijke slaven, terwijl Loten in Londen en Utrecht een dienstmeid uit Celebes in dienst had, Sitie, die hij echter niet als slavin beschouwde. Meer over Joan Gideon Loten op deze site kan men lezen door HIER te klikken.

Voor het tweede deel van dit beknopte overzicht over slavernij en de kernen van De Bilt klikke men op: De Bilt en het slavernijverleden II: 19e eeuw.

AD

Enige bronnen en literatuur:

J.E. Elias, De vroedschap van Amsterdam 1578-1795 (2 delen.) (Amsterdam 1903 en 1905.)

P.C. Emmer, Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel. (Nieuw Amsterdam 2019.)

Alexander J.P. Raat, The Life of Governor Joan Gideon Loten (1710-1789). (Hilversum 2010.)

W. van Schaik, Orkanen over Voordaan. Geschiedenis van een landgoed. (Groenekan 2006.)

 

 

Het wapen van de familie Calkoen. Bron: Coen O.A. Schimmelpenninck van der Oije, Egbert Wolleswinkel, Jos van den Borne, Conrad Gietman, Wapenregister van de Nederlandse adel Hoge Raad van Adel 1814 – 2014 (Zwolle 2014). En: Wikipedia.