Aan de Kerklaan in De Bilt staat een huis voor duiven. Volgens de gedenksteen van de toren, die bij toeval in een sloot is gevonden, is hij in 1832 neergezet door jonkheer D.W.J. Strick van Linschoten, die van 1823 tot 1854 de bewoner was van het landgoed Arenberg. Toen het landgoed na zijn dood werd opgesplitst, werd de duiventil met de grond waarop hij stond bij het landgoed Sandwijck gevoegd. Die grond werd een onderdeel van het Dr. Carel van Boetzelaerpark. (Foto: C. Stevens 1947 Collectie Het Utrechts Archief).

 

Meer informatie

Technisch is het gebouwtje een duiventil en geen duiventoren omdat hij op poten staat en niet massief is tot aan de grond. Dat deed men omdat duiven niet alleen werden gefokt als postduif en voor de consumptie, maar ook voor de mest. Als de onderkant open was, kon men die mest makkelijk op een kar vegen.

Niet iedereen mocht vroeger een duiventuil of een duiventoren bezitten. In de middeleeuwen was dat een van de heerlijke rechten van de adel en de geestelijkheid; later mochten ook burgers een duiventoren hebben als ze voldoende grond bezaten. Daardoor werd het bezit van een duivenhuis een statussymbool. In de negentiende eeuw was toestemming van de koning vereist en moest men voor het recht betalen.

DAB

Literatuur:
S. Broekhoven en S. Barends, De Bilt, Geschiedenis en architectuur, Zeist 1995 p. 190-192.