De Maartensdijkse burgemeester Maurits Jacob Eyck, wiens handtekening men hier ziet, gaf in 1815 antwoord op de vraag van het toenmalige departement van Oorlog om informatie te verschaffen over zijn gemeente. (De handtekening hierboven en de brief van het departement onderaan deze post: Utrechts Archief.)

 

Meer informatie

De gemeente Maartensdijk of Oostveen (te onderscheiden van Westbroek) had in 1815 meer inwoners en huizen, dan elk van de andere kernen van de huidige gemeente. (Meer informatie over De Bilt in 1815: klik deze link aan; voor Westbroek en Achttienhoven deze link.) Er woonden 1323 mensen, er waren 175 huizen en twee ordinaire buitenplaatsen. (Bedoeld zullen zijn: Persijn en Eijckenstein.) Er werden twee gereformeerde kerken genoemd (die van |Maartensdijk en Blauwkapel.)  De inwoners van de gemeente waren vooral kleine boeren (70) en arbeiders (er is sprake van 120 arbeiderswoningen); er woonden maar twintig ambachtslieden. De kleine boeren hielden wat vee voor melk en slachtten voor eigen gebruik. Ze verbouwden vooral rogge en haver.  Het land leverde 80 ton rogge op, 104 ton boekweit, 14 ton haver en 16 ton gerst; voor het vee werd er 800 ton  hooi  per jaar geoogst. De gemeente moet een uithoek in het Sticht Utrecht zijn geweest. In het rapport van Eyck valt te lezen:

De gesteldheid der wegen is slecht, en den zomer zeer zandachtig en des winters modderig. […] Een vaart op Utrecht [met een jaagpad] kan slechts gedeeltelijk met pramen en overigens met schouwen bevaren worden. […]

De tegenwoordig nog bestaande sluisjes in deze vaart worden door Eyck vermeld: Van Utrecht naar Maartensdijk wordt [de vaart] opgeschut door schutten met eene deur van circa 6 voeten.’ [Bron: Utrechts Archief.]

AD