In de zestiende eeuw werd er een verhaal verteld  over een weduwe die bij Oostbroek in het tegenwoordige De Bilt woonde. Zij was een heks en ze kon op een gaffel of hooivork door de lucht vliegen. Zij werd in Utrecht terechtgesteld op de brandstapel. De gebeurtenissen werden in 1610 opgeschreven door Simon Goulart in zijn Trésor d’ histoires admirables et mémorables de nostre temps. Op de afbeelding zien we een prent van Hans Baldung Grien uit het begin van de zestiende eeuw, waarop een heks ook met een gaffel door de lucht vliegt.

 

Meer informatie

Dit heksenverhaal werd in 1610 opgeschreven door Simon Goulart in zijn Trésor d’ histoires admirables et mémorables de nostre temps, en in 1664 werd het in het Nederlands vertaald. Het verhaal is echter wat ouder. Goulart was een Franse predikant en theoloog, die na de dood van Calvijn predikant werd in Genève. Hij overleed in 1628. Goulart stelde een boek vol wonderbaarlijke gebeurtenissen samen: een oude abdis wordt weer ongesteld, een abt ligt in een oven zonder te verbranden, een kind van elf jaar krijgt een baard en een visser slikt een paling in die er van achteren levend weer uitkomt. En dat is alleen nog maar op de eerste bladzijde van de inhoudsopgave.

Hij schreef dat hij het verhaal over de heks had gehoord van de Goudse burgemeester Dirck Cornelisz. Deze Dirck Cornelisz. van Hensbeeck of van Oudewater was inderdaad burgemeester van Gouda in 1548, 1549, 1552 en 1567. Hij stierf twee jaar later. De heksenvervolging wordt vaak in verband gebracht met de middeleeuwen, maar in werkelijkheid kwam hij pas echt op gang na 1480 en de piek lag tussen 1550 en 1650. Toen omstreeks 1570 de Tachtigjarige Oorlog oplaaide, had men tijdelijk weinig tijd om heksen te vervolgen.

 

Het verhaal

Het verhaal gaat als volgt. In een boerderij in het gerecht Oostbroek, dat in de zestiende eeuw ook wel De Bilt werd genoemd, woonde een weduwe. Zij had een knecht die het werk in en om het huis moest doen. Het viel deze knecht op dat zij altijd in het holst van de nacht opstond en naar de stal liep. Op een nacht volgde hij haar. Hij zag dat zij in de stal een gaffel beetpakte, een soort hooivork waarmee men het hooi voor de dieren schepte. Opeens was ze verdwenen. Hij was erg verbaasd en besloot om ook een gaffel beet te pakken. Toen hij dat deed, werd hij meteen opgetild en door de lucht gevoerd. Na enige tijd kwam hij terecht in een onderaardse grot in Wijk bij Duurstede, waar een groepje heksen een gezellig samenzijn had. Zij zaten op te scheppen over de valse streken die zij andere mensen geleverd hadden.

Hoe ging het verder met de knecht? De weduwe herkende de jongeman en zij werd heel boos omdat zij bang was dat het geheim van de heksen openbaar gemaakt zou worden. De knecht vreesde voor zijn leven en daarom probeerde hij sympathiek over te komen en zei hij aardige dingen over de vrouwen. De heksen overlegden of ze hem zouden doden zodat hij hen niet kon verraden, maar uiteindelijk besloten zij dat zij hem welkom zouden heten als hij zou zweren dat hij zijn mond zou houden. Hij legde dus een plechtige eed af.

Toen de vrouwen uitgepraat waren – dat duurde wel een paar uur –  bracht de weduwe voor de tweede keer ter sprake of ze de knecht zouden doden of dat ze hem weer naar huis zouden brengen. De heksen besloten opnieuw dat hij mocht blijven leven omdat hij een eed had afgelegd. Toen nam de weduwe haar knecht op haar schouders en vloog zij met hem terug naar huis. Onderweg kreeg haar wantrouwen toch de overhand. Boven een meertje liet ze de hooivork hevig schudden en liet zij de knecht van haar schouders vallen in de verwachting dat hij zou verdrinken in het modderige water. Hij tuimelde van grote hoogte naar beneden, maar hij kwam terecht in het dichte riet zodat zijn val gebroken werd. Hij was door de val wel zwaar gewond en hij lag uren lang in het riet te kermen.

De  volgende ochtend hoorden een paar voorbijgangers hem om hulp roepen. Zij haalden hem uit het riet en brachten hem op een kar naar Utrecht. Daar vertelde hij zijn verhaal aan burgemeester Jan van Culenburg. Deze liet de tovenares gevangen nemen. Zij bekende zonder dat zij hoefde worden gepijnigd, waarschijnlijk in de hoop op een lichtere straf, en ze vroeg om genade. Dat werkte niet, want er volgde een proces voor de raad van de stad Utrecht en deze veroordeelde haar met algemene stemmen tot de dood. De heks stierf de vuurdood op de brandstapel. De knecht bleef nog lang last ondervinden van zijn kneuzingen, met name van zij twee verstuikte heupen.

Het verhaal over de heks van Oostbroek is later vaak naverteld, maar die vertellingen weken altijd nogal af van de tekst van Goulart.

 

Echt gebeurd?

Het verhaal van Goulart is niet zonder problemen. Behalve dat het natuurlijk niet makkelijk is om op een hooivork door de lucht te vliegen, is er ook in Utrecht nooit een burgemeester geweest met de naam Jan van Culenburg (in het Frans Jean de Culembourg) of iets wat daarop lijkt. Hij komt niet voor in de lijsten van die tijd, maar ook niet in andere jaren. Wel was er een Jan van Culemborch schout van 1528 tot 1555. Hekserij werd trouwens sinds 1530 niet berecht door de stadsraad maar door het ‘gewestelijke’ Hof van Utrecht. Het vonnis heb ik dan ook niet kunnen vinden. In de jaren voor 1591 waren er in Utrecht overigens maar vijf executies wegens hekserij.

Opmerkelijk is een andere prent van Hans Baldung Grien uit 1545, die bekend staat als De behekste knecht. Daarop zien we diverse elementen uit ons verhaal terug, zoals de heks, de knecht, de stal en de gaffel. Dat leidt tot het vermoeden dat er een volksverhaal was met diezelfde elementen, dat door Goulart als een historische gebeurtenis is opgeschreven. Het Biltse verhaal lijkt bijvoorbeeld enigszins op de Duitse verhalen Die Fahrt nach dem Brocken en Der Hexenritt.

Op het landgoed Oostbroek is een speurtocht uitgezet die het Heksenpad wordt genoemd. Onderweg kun je opdrachten aantreffen. Daarmee kunnen kinderen ontdekken wat er volgens een versie van het verhaal in het moeras is gebeurd.

DAB

 

Literatuur:

S. Goulart, Trésor d’ histoires admirables et mémorables de nostre temps 2 dln. 1610.

S. Goulart, Cabinet der historien bestaende in veel vreemde, notabele en uytstekende geschiedenissen, Amsterdam 1664.

J.R.W. Sinninghe, Utrechtsch Sagenboek, Zutphen 1938.