Op deze kaart uit 1825 uit het Rijksarchief Noord-Holland ziet men onderaan bij Maartensdijk de vermelding vanouds de hofstede der abdisse van Elten. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de abdis van het klooster bij Elten grond en een hofstede bezat bij Maartensdijk/Hollandsche Rading.

 

Meer informatie

Onderaan naar links toe ziet men op de grens van Holland en Utrecht de vermelding van haardsteden uit den Keltischen voortijd en linksonder de vermelding van de moord op Floris V ter hoogte van de huidige graaf Floris V weg (een onjuiste aanname, de graaf werd waarschijnlijk dicht bij Utrecht, bij de Vecht gevangen genomen, zie: ‘Floris V gevangen genomen in Hollandsche Rading?’). De Keltische haardsteden verwijzen naar grafheuvels. De verwijzing naar de hofstede van de abdis van Elten op het gebied van Maartensdijk/Hollandsche Rading komen we ook tegen op de ronde kaart van Gooiland uit omstreeks 1525 die hieronder is afgebeeld (Nationaal Archief, kaarten Hingman 2580).  Wat was die hofstede der abdisse van Elten?

In 967 stichtte een zekere Wichman voor zijn dochter Luitgardis een klooster op de heuvel van Elten, dat nu in Duitsland ligt. Als bruidsschat schonk hij haar onder meer Naerdincklant, een naam die toen voor het Gooi werd gebruikt. Daar hoorde toen ook het gebied van Hollandsche Rading bij, waar de hofstede gelegen heeft. De stadssecretaris van Naarden Pieter Aelmanszoon deed in de jaren 1525-1527 onderzoek en sprak met een voormalige monnik van Oostbroek, Gijsbert Lapp. Die wist hem te vertellen dat hij de restanten van een grote hofstede met grachten had waargenomen. Aelman ging er zelf op uit en zag op de aangegeven plaats bij Hollandsche Rading inderdaad de fundamenten van een burcht met een toren, omringd door drie grachten. Voor de volgende kaart, nr. 36, klikke men aan: een gemeentelijke herindeling in 1829.

AD

 

Kaart uit: Lambertus Hortensius, Over de Opkomst En Den Ondergang Van Naarden, ed. Albertus Perk, Utrecht 1866.

Litt.: Louis  van den Brink, De hofstede van de Vrouwe van Elten. In: St. Maerten, afl. 10 (september 1993)  14-18.