In 1952 stonden de kranten vol over de moord op de oud-gemeentesecretaris van Amsterdam mr. J.F. Franken. Op de foto zien we de heer Franken als tweede van links in zijn rol als gemeentesecretaris van Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. (Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/Fotograaf onbekend) Waarom de heer Franken werd vermoord, zal wel altijd een raadsel blijven. Zijn oudste zoon bekende de moord, maar hij heeft nooit aangegeven waarom hij zijn vader heeft omgebracht. Terwijl moorden tegenwoordig vaak bloedig zijn en ze gepaard gaan met rondvliegende kogels, was de moord op de heer Franken een stille, sluipende moord, een gifmoord. Overigens beperkte de moordenaar zich niet alleen tot zijn vader; ook zijn broers en zijn moeder werden aan gif blootgesteld, maar zonder dat het tot hun dood leidde. Het landhuis op de Lassuslaan 49 (onderaan) was het decor voor een familiedrama met een dramatische afloop.

Meer informatie

Mr. J.F. Franken was in 1941 benoemd tot gemeentesecretaris van Amsterdam door regeringscommissaris Voute, die door de Duitsers was aangesteld. Na de oorlog werd hij eervol ontslagen uit zijn functie en kreeg hij wachtgeld. De zuiveringscommissie pleitte hem later vrij en er werd geen onderzoek ingesteld naar zijn handelen als gemeentesecretaris. Hierna vond hij een baan als secretaris van de organisatie voor het vervoerswezen.

De familie vestigde zich in februari 1951 in Bilthoven in een huis aan de Lassuslaan. Het gezin telde naast de beide ouders drie zonen. De oudste zoon Wim, 26 jaar oud, was jurist en was op 5 mei 1951 afgestudeerd in Amsterdam. Omdat hij niet direct een baan had kunnen vinden, was hij actief als repetitor. Hij woonde bij zijn ouders in Bilthoven maar verbleef ook vaak bij zijn door de familie niet geaccepteerde vriendin, in Amsterdam. De beide andere zonen studeerden nog in Wageningen en Utrecht.

Kort voor Pinksteren 1952 kocht Wim arsenicum. Op eerste Pinksterdag strooide hij het over het vlees dat in de keuken op het fornuis stond. Zijn ouders en broers werden ziek en hij bleef buiten schot. Bijzonder was dat hij later zei dat hij de rest van de arsenicum had weggegooid. Echter kort daarop kocht hij met grote moeite weer een nieuwe fles arsenicum en wist hij de hand te leggen op cyaankali. Hij zou het vergif gekocht hebben bij een drogist in Utrecht.

Twee weken na Pinksteren strooide hij weer arsenicum over het vlees, wat opnieuw tot ziekte leidde bij de andere familieleden. Deze keer moesten zijn vader en broer Frans medisch behandeld worden voor maagklachten. Op 8 juli voelde vader Franken zich opnieuw niet goed en vroeg hij zijn oudste zoon om maagpoeders bij de apotheek voor hem te halen. Bij thuiskomst deed Wim een paar lepeltjes cyaankali door de poeders, die hij vervolgens in de slaapkamer bij het bed van zijn vader zette. Ook deed hij dezelfde dag nog arsenicum door de pap van zijn broer Frans. Frans werd ziek. Zijn vader, die de poeders gebruikte, kreeg volgens de huisarts een hartembolie en stierf nog dezelfde avond. De vader werd op 11 juli onder grote belangstelling en in aanwezigheid van minister Mulderije begraven op het Stille Hofje in Den Dolder. Kort voor het overlijden was de hele familie ziek geweest van koekjes die er volgens mevrouw Franken raar uitzagen. Ook de werkster had zich na slechts één koekje enige tijd niet lekker gevoeld.

Op 22 juli vond de werkster bij toeval in de kelder een verstopte fles waarin nog een klein restje arsenicum zat. Mevrouw Franken, die al vermoedens koesterde dat haar zoon Wim herhaaldelijk kleine hoeveelheden arsenicum door het eten, de thee en de suiker mengde, vond het niet langer verantwoord om Wim binnen de familiekring te houden. Op 26 juli bracht zij hem samen met de fles arsenicum naar de Rijkspolikliniek van Professor dr. H.C. Rümke in Utrecht. Zij gaf in een gesprek aan, waarom zij haar zoon ter observatie had aangeboden en verzocht de politie erbuiten te houden. Rümke meende toch de politie te moeten informeren zonder mevrouw hierin te kennen. In de kliniek gedroeg de zoon zich normaal en op 7 augustus werd hij ontslagen zonder dat zijn moeder het wist.

Kort na het bezoek aan de kliniek kreeg mevrouw Franken bezoek van de officier van justitie, de rechtercommissaris en de politie van de Bilt. Huiszoeking leverde bewijsmateriaal op dat tot sterke verdenking van zoon Wim leidde. De aanwijzingen waren zo sterk dat het lichaam van Franken sr. werd opgegraven. Dr. J. Zeldenrust verrichtte sectie in het gerechtelijk laboratorium in den Haag. De sectie toonde aan dat Franken sr. was vergiftigd. De politie in de Bilt vroeg om de medewerking van de hoofdstedelijke recherche en zo kon Wim Franken in een huis aan de Herengracht in Amsterdam worden aangehouden.

Bij ondervraging gaf hij uiteindelijk toe dat hij zijn vader vergiftigd had, maar hij bleef ontkennen dat hij ook andere familieleden had geprobeerd te vergiftigen. Rümke kon niet precies achter de motieven voor de moord komen. Tijdens het proces in hoger beroep trok hij de conclusie dat verdachte vrij aanzienlijk verminderd toerekeningsvatbaar is en dat in ieder geval vaststaat dat hij een zwaar gestoorde persoonlijkheid is. Volgens de Professor zou deze man uiterst gevaarlijk blijven voor zijn omgeving als hij vrij kwam. Hij is ziek. Mr. Wim K. Franken werd in hoger beroep veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en met T.B.S..

EvdV

 

Literatuur:

Delpher; De Volkskrant 23-08-1952

Delpher; AD 28-08-1952

Delpher; Het Parool 07-07-1953