Op 15 oktober 1941 werd de Nederlandsche Arbeidsdienst of NAD opgericht, aanvankelijk onder de naam Opbouwdienst. Daarmee wilden de Duitse autoriteiten Nederlandse arbeidskrachten gebruiken om voor de bezetter te werken. Hier zien we zogeheten ‘arbeidsmeisjes’ die in 1942 in het kamp Maartensdijk aardappels schilden.

 

Meer informatie

De NAD was aanvankelijk vrijwillig en er werd veel reclame gemaakt om jonge mensen te verleiden om dienst te nemen.  In deze propaganda werd gezegd dat het ging om het herstellen van de schade die de oorlog had toegebracht, maar dat wilden de meeste mensen niet geloven. Het symbool van de beweging was Koenraad van de Arbeidsdienst, een positief ingestelde Hollandse jongen die vaak werd afgebeeld met de schop op de schouder. (Foto onderaan Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen)

Vooral jonge vrouwen meldden zich aan. Zij moesten werken in de landbouw of aardappels schillen voor de soldaten in nabijgelegen kazernes. Mannen werden vaak verder weg ingezet om wegen en kanalen aan te leggen. Intussen werden ze blootgesteld aan nationaalsocialistische propaganda. Op 1 januari 1942 werd een dienstplicht van een half jaar ingesteld voor Nederlanders van 18 tot 23 jaar. Voor de arbeidsdienst bouwde men kampen in ongeveer honderd gemeenten. Gewoonlijk werden daar in vier barakken ongeveer tweehonderd mensen ondergebracht. Het kamp in Maartensdijk was er daar één van.

In fasen werd de dienstplicht uitgebreid en men sprak nu van Arbeidsinzet naar het voorbeeld van de Duitse Arbeitseinsatz. Veel mannen werden gedwongen om in Duitsland in de oorlogsindustrie te werken of om loopgraven te graven. Een deel van de jongemannen verstopte zich om niet op transport te worden gezet. Vermoedelijk hebben meer dan 300.000 Nederlanders onder dwang voor de Duitsers gewerkt.

Op Dolle Dinsdag (5 september 1944) toen men dacht dat het land ieder moment bevrijd kon worden, liepen vrijwel alle tewerkgestelden weg.

DAB

U bevindt zich op de rondleiding over de Tweede Wereldoorlog.
Voor het vervolg klik HIER.

Literatuur:

L. de Jong, het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, vooral 4 p. 674-676, 5 p. 123-127, 6 p. 497-511, 10a p. 205-207.