In 1580 verbood het Utrechtse stadsbestuur de uitoefening van de katholieke eredienst. Het duurde daarna, en zeker tot na 1593, nog een aantal jaren voordat het protestantisme ook elders in het gewest de enige openbare godsdienstige stroming. was. (Een duiveluitdrijving op de Sabbath, bladzijde uit de vroeg zestiende-eeuwse Heylige-daags schoole, door Johan Fonck. Museum Catharijneconvent Utrecht, foto Ruben de Heer.)

 

Meer informatie

Vanaf de late zestiende  ging het katholicisme ondergronds verder. Over deze schemertoestand waarin het afscheid nemen van oude geloof maar moeilijk tot stand kwam worden we geïnformeerd door een visitatierapport.

In de zomer van 1593 kregen de predikanten  jonkheer Frederik van Zuylen van Nyevelt, Hendrick Büth, Johannes Gerobulus en Gerrit van Blockhoven opdracht van de Utrechtse Staten een onderzoek te doen, een ‘visitatie’, naar de godsdienstige toestanden op het Utrechtse plattelande en tegelijkertijd eens te kijken naar de materiële kanten van het kerkelijk leven.

 

Een kerk in verval en een duivel uitdrijvende pastoor als bordeelhouder

 

De Maartensdijkse kerk was in staat van verval, de kerk had geen geld. Wel werd niet de mis, maar het Heilig Avondmaal gevierd met wel 30 gelovigen. Anders dan in Westbroek was er geen sprake van geheime vieringen van de katholieke mis. De gewezen pastoor van de kerk, Laurisz., bleek merkwaardige nevenverdiensten te hebben. Hij verdiende aan een bordeel in Utrecht, organiseerde feesten, ‘danserijen’ en deed openlijk aan duiveluitdrijving. De kerk baseerde zich voor deze laatste praktijk op Marcus 3, vs. 15, waarin Jezus vraagt aan de discipelen om met hem “duivelen uit te werpen”.

 

Het visitatierapport over Maartensdijk vindt men hieronder (met daar waar nodig toelichting op de betekenis):

 

‘De kerck is zeer qualijck gerepareert ende zal nootzaeckelijck hierin moeten versien wesen. Heeft twe kerck-meesters, dewelcke jaerlijx bij de bueren [dorpelingen] vercoren [verkozen] werden. Tegenwoordelijck maer eene [kerkmeester], ende d’andere is in weygeringhe [wil niet functioneren]. Daer en is gansch niet zeeckers tot de fabrycke [geld om de kerk te onderhouden].

 

 

Predicant is Tielman Janssz., door translatie [van elders] hier gestelt bij mijne E.E. Heeren de Staten; hout hem in sijne bedieninge na de chrystelijcke ceremonien ende gebeden, achter den Catechismum gedruckt. Heeft eens Avontmael gehouden, ende zijn ter tafel geweest over de dertich persoonen met grooter stichtinge [hebben tot hun geestelijke verheffing] aangezeten aan het Heilig Avondmaal]. Hier en is geen coster bij faulte van gaetsie [er is geen geld om de koster te betalen], zulcx die hem in genen dele wil schicken [dat wil men niet doen]; zal daeromme hierin moeten versien wesen [dit moet opgelost worden]. D’ommegang voor d’armen in de kercke wert bij provisie ende op verbeteringe, door generaele ordonnantie in dese provincie, gedaen bij den Schout ende eenen Kerckmeester [de collecte wordt voorlopig verzorgd door de schout en een kerkmeester].

 

Heeft een pastoorshuys, maer zeer onbequaem omme bewoont te wesen, zulcx dat oock hierin zal moeten ordre gestelt en verbeteringe gedaen werden. Waertoe op ’t bevel van mijne E.E. Heeren de Staten omslach zoude conen geschieden [een belasting kan worden geheven], oock tot reparatie van de kercke.

 

De Predicant [Tielman Jansz.], [de] Schout ende [de] Kerckmeester deden te zamen groote dachten [klaagden zeer] over eenen paep [priester], genaemt Willem Laurenssen, geboren van der Gouwe [Gouda],  alhier gecomen over 16 jaeren. De welcke eertijts t’Utrecht bordeel opgehouden heeft ende noch dansserijen ophout, en die hem oock onderstaet opentlijck duyvelen wt te jagen ende t’ ontooveren [aan exorcisme, duiveluitdrijving, te doen.]’

Voor het visitatierapport over Westbroek klikke men HIER.

 

 

AD

 

Bron: ‘Visitatie der kerken ten platten lande in het sticht van Utrecht ten jare 1593’. In: Bijdragen en mededeelingen van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht, VII (Utrecht 1884).