Al in het begin van de negentiende eeuw besloot de overheid dat het kerkhof bij de Dorpskerk van De Bilt dicht moest. Pas in 1900 werd het echt gesloten. Daartussen wisselden de instructies elkaar af: open – dicht – open – dicht. Afbeelding: de kerk met het deel van het kerkhof aan de zuidkant in 1842 door P.J. Lutgers. (Het Utrechts Archief)

 

Meer informatie

Na de bouw van de Dorpskerk van De Bilt werden de doden begraven in de kerk of op het kerkhof rondom het kerkgebouw. Daar werden ook voorname Utrechters ter aarde besteld, vooral hoogleraren.

Tijdens de Verlichting realiseerden bestuurders zich dat het begraven in de buurt van woonhuizen nadelig was voor de gezondheid van de inwoners. In Frankrijk, waar het begraven in kerken al in 1776 verboden was, werd in 1804 bovendien het verbod op het begraven binnen de bebouwde kom van kracht. Nadat ons land in 1810 een provincie van Frankrijk was geworden, zou dat verbod ook moeten gelden voor Nederland, waar het op de eerste dag van 1813 inging. Omdat er nog weinig begraafplaatsen buiten de bebouwde kom waren aangelegd, ontdoken de gemeenten het verbod op grote schaal. Ook De Bilt deed dat.

Aan het einde van datzelfde jaar 1813 verlieten de Fransen het land. De nieuwe, Nederlandse regering stelde het verbod buiten werking. De overwegingen van volksgezondheid speelden echter nog steeds en in 1824 verbood de koning opnieuw het begraven in kerken en binnen de bebouwde kom. Dat verbod zou op 1 januari 1829 in werking treden, behalve in gemeenten die niet meer dan duizend inwoners hadden. Het was bovendien mogelijk om uitzonderingen op de regels toe te staan als er daarvoor dwingende redenen waren.

In De Bilt had men grote moeite met het besluit. Voor de kerk vormden de verkoop van grafrechten en de activiteiten rond het begraven een belangrijke bron van inkomsten. Daarom verzocht het gemeentebestuur aan Gedeputeerde Staten of men het kerkhof mocht blijven gebruiken. Naast de inkomsten was een belangrijk argument dat De Bilt slechts 1056 inwoners telde, van wie bovendien honderden hun doden buiten de gemeente lieten begraven omdat ze dichter bij andere gemeenten woonden. Ook de katholieken werden niet ter aarde besteld bij de hervormde Dorpskerk.

Gedeputeerde Staten voelden zich niet bevoegd om het Koninklijk Besluit te doorkruisen. Op deze beslissing kwamen zij echter na nieuwe regelgeving terug: op 31 maart 1828 gaven ze De Bilt toch toestemming om voorlopig het kerkhof open te houden op voorwaarde dat personen van alle gezindten daarvan gebruik konden maken.

Een jaar later echter kwamen Gedeputeerde Staten op dat standpunt terug: de koning wilde beslist dat alle gemeenten boven de duizend inwoners burgerlijke begraafplaatsen buiten de bebouwde kom hadden. Nu mocht het opeens weer niet.

Op 5 juni 1829 durfde het gemeentebestuur een brief naar koning Willem I zelf te sturen. De argumenten waren dezelfde die ze eerder aan het provinciebestuur hadden geschreven. Drie maanden later kwam een positief antwoord van het Binnenlands bestuur, dat toen nog in Brussel gevestigd was: het kerkhof mocht blijven. Deze mogelijkheid werd overigens in 1870 ingeperkt doordat Gedeputeerde Staten het begraven aan de kant van de Dorpsstraat en de Kerksteeg niet meer toestonden.

Tenslotte besloot de gemeente in 1899 om een algemene gemeentelijke begraafplaats aan te leggen. Op 1 september 1900 nam De Bilt de begraafplaats aan de Eerste Brandenburgerweg in gebruik. Een maand later sloot men formeel het oude kerkhof bij de Dorpskerk, na bijna een eeuw verzet.

DAB

 

Literatuur:

J. van der Heijden, Een brief aan de koning 5 juni 1829, in: De Biltse Grift juni 1994.

Werkgroep Inventarisatie Grafmonumenten, Begraafplaatsen in De Bilt en Bilthoven II, in : De Biltse Grift december 1996.