In het Reformatorisch Dagblad van 18 december 2022 werd gesuggereerd dat er een verband was tussen de negerkopjes op de grafkelder van de familie Calkoen in Groenekan en de slavernij. Hetzelfde werd gedaan in een artikel in de Vierklank uit 2008 naar aanleiding van een tentoonstelling over slavenringen. Ook OSO, Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis, sprak die beschuldiging uit. Hierboven: De afbeelding op de grafkelder. (Foto DAB)

 

Meer informatie

De foto geeft het wapen weer van de familie Calkoen met rechtsboven de twee koppen, die een achtste deel van het wapen beslaan. In de heraldiek of wapenkunde wordt zo’n figuur niet een negerkopje genoemd maar een moor. Deze afbeeldingen komen in diverse Europese landen al heel lang voor en zijn ouder dan contacten die de Republiek over zee vestigde en de koloniën. Men bedoelde met het woord ‘moor’ niet zozeer zwarte mensen als wel Noord-Afrikanen of degenen die rondom het Middellandse Zeegebied woonden. Bisschop Otto von Freising kreeg bijvoorbeeld in de twaalfde eeuw dankzij zijn deelname aan de Tweede Kruistocht een moor in zijn wapen. Het wapen van Sardinië draagt de hoofden van vier Moorse (islamitische) emirs die in de elfde eeuw door Aragon werden verslagen. Ook de gemeenten Pappingen en Lauingen en Coburg droegen een morenkop.

Men vermoedt ook een verband met de heilige Maurus of St. Mauritius, de beschermheilige van het Heilige Roomse Rijk vanaf de tiende eeuw. Hij werd als zwarte man beschouwd. Ook in het wapen van Balthasar, een van de drie koningen of wijzen uit het oosten, werd wel een zwarte man afgebeeld. Diverse families droegen de moor in hun wapen omdat hun naam erop leek, zoals de families De Moor en Maurissen.

De familie Calkoen

Abraham Calkoen, die op de landgoed Voordaan in Groenekan woonde, kocht in 1827 een deel van het kerkhof van Groenekan om daar een grafkelder aan te leggen. In 1880 werd het graf door zijn kleinzoon, een andere baron Abraham Calkoen, hersteld of herbouwd. Men kan het nu nog bezoeken. Op het wapen boven de deur van de grafkelder zijn zoals gezegd rechtsboven twee morenkoppen te zien.

Die zijn in dit samengestelde wapen terechtgekomen door een verre relatie met de familie Van Loon. Aan het einde van de zeventiende eeuw was de grootvader van de grootvader van de grootvader van de laatstgenoemde Abraham Calkoen, een Nicolaas Calkoen, getrouwd met Agatha van Loon. De familie Van Loon dreef handel op de Levant en op Oost-Indië, waarvan een deel nu Indonesië heet. Mogelijk symboliseert de aanwezigheid van morenkoppen die handel.

Een kleine eeuw eerder, in 1602, was Willem Jansz. van Loon een van de stichters geweest van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Namens de kamer Rotterdam was hij een van de bewindvoerders van deze onderneming. De VOC heeft later een systeem ondersteund waarin sprake was van binnenlandse slavernij, maar in deze begintijd hield hij zich alleen maar bezig met de handel in specerijen. De onderneming had geen invloed in binnenlandse aangelegenheden; de wandaden van de compagnie bestonden vooral uit oorlogvoering en moord.

Er is onvoldoende bewijs om Abraham Calkoen op grond van alleen morenkoppen te beschuldigen van het profiteren van de slavernij. De aanwezigheid van een morenkop is niet fraai, maar het heeft niet eens de bewijskracht van een aanwijzing. Tenslotte draagt ook het wapen van paus Benedictus XVI een morenkop.

Er bestaat een merkwaardige traditie dat de president van de Verenigde Staten kort voor kerstmis twee levende kalkoenen voor het kerstdiner ontvangt. Een van die twee spreekt hij vrij. Het zou mooi zijn als we die ene Abraham konden noemen.

DAB

 

Hieronder: het wapen en de grafkelder (Foto DAB)

Literatuur:

F.S. Gaastra De geschiedenis van de VOC, Leiden 2006.

Internet: Koninklijk Nederlands Genootschap voor geslacht- en wapenkunde, Morenkop.

M. de Valdes y Cocom, Sigillum secretum, On the image of the Blackamoor in European Heraldry (op het Internet PBS Frontline).

Wikipedia, lemma’s Calkoen, Moor, Van Loon.

Reformatorisch Dagblad van 18 december 2022; Vierklank 10 september 2008; OSO, Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis jaargang 28n.