In 1470 werd in Utrecht Lubbert Hermansz. veroordeeld wegens de diefstal van turf. En niet een klein beetje turf: het ging om dertien scheepsladingen. De slachtoffers waren Jan Arysz. (Jan de zoon van Arie) uit Maartensdijk, Herman Berentsz., Evert de Bakker uit Achttienhoven, Schele Arent in de Louwerecht en een niet nader genoemde pottenbakker. Afbeelding: het steken van turf in het Nedersticht in de middeleeuwen (Gravure naar een schilderij van S. van den Berg 1880, uitsnede).

 

Meer informatie

Die dertien schouwen (pramen) had Lubbert Hermansz.  kennelijk gevuld met turf die op de oevers van de trekgaten lag te drogen. Daarna had hij de turf in Utrecht verkocht.

In de twaalfde eeuw waren in  deze gebieden de ontginningen van de veengebieden op gang gekomen. Turf was een belangrijke brandstof voor de stad Utrecht en bracht veel geld op. Er waren dan ook veel conflicten over het eigendom van het veen waar men de turf placht te steken.

Het vonnis bevatte een uitgebreid programma. De turf moest worden overgeladen in andere pramen en worden teruggebracht naar het veengebied waar het weggehaald was. Dit gebeurde overigens op kosten van de benadeelden. De volgende dag om acht uur zou men de pramen van Lubbert in het openbaar verbranden op de Neude. Hij moest zelf het vreugdevuur aansteken.

Daarna werd de dader gevangen gezet in het Vleeshuis, het voormalige gildehuis van het slagersgilde dat wegens oproer was ontbonden. Dat huis aan de Ganzenmarkt diende nu als gevangenis. Hij moest daar blijven tot de volgende keer dat de klok werd geluid voor een openbare rechtszitting, die altijd met gelui van de klok werd gehouden op de Plaetse, de huidige Stadhuisbrug. Dan moest hij ‘in hemde ende in broeke’ (in eenvoudige kleding, blootshoofds en op blote voeten) voor de schepenen verschijnen met een ontbloot zwaard in zijn hand. Hij moest verklaren dat hij zijn leven verbeurd had en aan de schepenen om genade smeken. Die genade werd door de schepenen altijd wel verleend. Ze leefden tenslotte in een kleine samenlevingen je wilde bij voorkeur geen ruzie krijgen met de nabestaanden van iemand die terechtgesteld was.

DAB

 

Literatuur:

Het Utrechts Archief, Buurspraakboek 1470.

D.A. Berents, Misdaad in de middeleeuwen, een onderzoek naar de criminaliteit in het laatmiddeleeuwse Utrecht, diss. 1976, Stichtse Historische Reeks 2, Utrecht 1976.