Adolf van Nieuwenaer, stadhouder van Utrecht had in 1588 een forse kluif aan de ‘huislieden’ (boeren) van de twee dorpen Westbroek en Achttienhoven. (Prent van Frans Hogenberg, uit: Hirschberg: Historische Reise durch die Grafschaft Moers (Steiger 19020.) Adolf was tot zijn dood in 1589 de Utrechtse collega van de Hollandse stadhouder Maurits, de zoon van Willem van Oranje. Hij werd in de zomer van 1588, ten tijde van Maurits’ net begonnen offensief tegen de Spanjaarden,  geconfronteerd met de opstandige boeren van deze dorpen.

 

Meer informatie

De boeren van Westbroek en Achttienhoven spanden in de zomer van 1688 samen met de boeren van Loosdrecht en Hilversum en weigerden belasting te betalen. De drie dorpen sloten een verbond om gezamenlijk in opstand te komen tegen het gewestelijke gezag, dat in handen van de Staten van Holland en Utrecht en van de beide stadhouders was. Westbroekse boeren waren naar het Gooi gegaan en hadden met Loosdrecht en Hilversum een ‘complot’ beraamd om te weigeren belasting te betalen anders dan de belasting die keizer Karel V hen ooit had opgelegd.

Er was sprake van honderden opstandelingen. Contacten met de stad Utrecht werden verbroken, de boeren verschansten zich in hun dorpen, de gebruikelijk markten konden niet gehouden worden, schuiten met lading voor de verkoop werden tegengehouden en geplunderd. Hierna was Adolf van Niewenahr Westbroek en Achttienhoven binnengevallen, waren er huizen in vlammen opgegaan en slachtoffers gevallen.  Een transcriptie van de originele akten die hierover gaan kan men lezen door  Bronnen voor de geschiedenis van de Westbroekse boerenopstand van 1588 aan te klikken.

AD

 

Literatuur:

‘Stukken voor de geschiedenis van de jaren 1588 en 1589’. In: Kronijk van het Historische Genootschap gevestigd te Utrecht, jg. XVI, vierde serie, deel 1 (Utrecht 1860) , 138-157, m.n. 149-153.

B. de Ligt, ‘Oproerigheid der boeren in Gooiland  in 1588. ‘ In: St. Maerten, nr. 33 (2007) 8-17.

leid van de Bunt, ‘Adolf van Nieuwenaer en Meurs, stadhouder van Utrecht’. In: Jaarboekje van Oud-Utrecht (1953) 141-158.