Marten van den Helm was tussen 1768 en 1788 notaris, eerst in Utrecht en vanaf 1771 in Nieuw Maarsseveen. Hij was de schrijver van een veelgebruikt boek over het notariaat. Van den Helm was daarnaast vanaf 1777 schout van Nigtevecht, Maarsseveen en Westbroek. In  1787 vielen de Pruisen het land binnen, stadhouder Willem V te hulp. Veel van diens tegenstanders, patriotten, vluchtten het land uit, anderen, zoals Van den Helm, verloren hun baan. Er werden aanzienlijke verwoestingen aangericht en de patriotten leden veel schade. [De Hollandse Leeuw door de Pruisen getemd, 1787. Anoniem. Rijksmuseum.]

 

Meer informatie

 

De ambachtsheer van Westbroek en Nigtevecht en eigenaar van het Biltse Vollenhoven, Willem René van Tuyll van Serooskerken (1743-1839) legde Marten van den Helm, bij zijn benoeming op 29 oktober 1777, de volgende verplichting op: Van den Helm moest Van Tuyll, als heer van het gerecht Westbroek, de helft  betalen van de opbrengst van zijn ambten van schout en gadermeester (belastingontvanger) van Westbroek.

Van Tuyll ontsloeg Van den Helm na de Pruisische inval in 1787 en benoemde Pieter Roëll in zijn plaats. (Over Willem René van Tuyll, de broer van Belle van Zuylen, kan men meer lezen door DEZE LINK aan te klikken.)

Het ontslag als schout was financieel gezien een grote klap voor Maarten van den Helm en had alles te maken met zijn optreden als patriot.. De Westbroekse schout was de jaren 1784-1787 betrokken bij  het Maarssense vrijkorps, was hoofd van de plaatselijke schutterij en bepaald geen aanhanger van de stadhouder.. Na de Franse inval en de verdrijving van de Oranjes in 1795   diende Van den Helm een schadeclaim in van  6.523 gulden voor in de jaren 1788-1795 door toedoen van de stadhouder en zijn bewind geleden schade. Het leeuwendeel, meer dan 3700 gulden, ruim 26.000 euro aan koopkracht nu, bestond uit de door Van den Helm in de jaren 1789-1794 gemiste inkomsten als schout van Westbroek. We lezen in deze schadeclaim:

 

Hebbende de revenuen [opbrengsten] van het schout-ampt van Westbroek van 1778 tot 1782 incluis, en dus over vijf jaaren door elkanderen jaarlijks aan mij zuiver afgebragt [opgebracht]  f. 618 […] weshalven wegens de jaaren 1789, 1790 , 1791 , 2792 , 1993 en 1794. mij van Westbroek competeert [toekomt], het jaar gerekend als boven à f 618-12- ; Voor zes jaaren de somma van f 3711’.

Voor deel twee van het verhaal van de Van den Helms en hun dynastie van Westbroekse schouten, klikke men DEZE LINK aan.

 

AD

 

Bron: Verzameling van_alle_de_memorien_van_geleeden schaden [Utrecht 1795) V 220-229, m.n. 227; H.W.G. van Schaik, In de maat en uit de pas. Utrechtse dorpsbesturen 1780 – 1830 (diss. Utrecht 2018) m.n. 11.

Hieronder: een fragment uit de Kroniek m.b.t. Westbroek.

 

65 – Frame NHA