In 1519 werd Luyt de vrouw van Jan Aryaenss. Blanck uit Westbroek in Utrecht ter dood gebracht op de brandstapel. Zij was door de schepenen van Utrecht veroordeeld wegens hekserij. Op de afbeelding zien we hoe de verbranding op de brandstapel in de zestiende eeuw meestal toeging: de veroordeelde werd niet langzaam geroosterd maar op een ladder gebonden in het vuur gegooid, zodat de dood wat sneller intrad. (De prent van Jan Luyken uit 1685 stelt de verbranding van een ketterse vrouw in 1571 voor.)

 

Meer informatie

Burenruzies leidden soms tot aangiften en  waarschijnlijk was Luyt door inwoners van Westbroek ervan beschuldigd dat ze een heks was. Ze werd gearresteerd door de schoutenknechten van de stad Utrecht. Het stadsbestuur schreef snel een brief aan de hertog van Kleef met de vraag of hij zijn scherprechter meester Symon wilde uitlenen, zodat deze de vrouw kon ondervragen. Blijkbaar stond hij bekend als expert op dat gebied.

De vaste commissie strafrechtspraak in Utrecht heette de ‘Vive’ omdat hij uit vijf mannen bestond. Zo staat het in het Raads Dagelijks boek:  Tot live Luyt Jan Blancken wijff een toevennaerster, zijn gescict Willem die Wail van Vronesteyn, Jacob van Voerd, Dirck Knoep, Aelbert Foeck, ende Jan van Hegehuysen. Zij deden samen met de beul het vooronderzoek in de zaak van Luyt. De schepenbank moest het uiteindelijke vonnis uitspreken.

Nadat zij was gepijnigd, bekende Luyt dat zij een tovenares of heks was. Zij had, zo vertelde zij, bij de communie de hostie ontvangen en deze uit haar mond genomen en er een steen opgelegd. De Heksenhamer of Malleus maleficarum van Kramer en Sprenger, het handboek voor heksenvervolging uit 1486, lette daar bijzonder op. Het vertelde bijvoorbeeld over een vrouw die de hostie uit haar mond nam en hem in een kruik met een pad onder de grond stopte. Zij gebruikte deze combinatie voor haar toverkunsten.

Zij had ook een ‘vriend’, een boze geest die haar diende en die Sarrecijn (Saraceen) heette. Men concludeerde daaruit dat zij een verbond met de duivel had gesloten.

De leden van de Vive  gingen  met hun knechten naar ’t Veen (Westbroek) om meer getuigen te horen. Verder zochten ze naar de hostie waar de vrouw over verteld had en naar de potten waarin Luyt haar duivelse brouwsels had gemaakt. Haar man Jan en haar zoen Aryaen werden ook verhoord, maar ze werden weer vrijgelaten nadat zij een eed hadden  afgelegd.

De schepenbank veroordeelde Luyt tot de dood en ze werd terechtgesteld op de brandstapel. Voor zijn werk kreeg de beul twaalf goudgulden, wat in die tijd een enorm bedrag was.

DAB

 

Literatuur:

Het Utrechts Archief, Raads Dagelijks Boek 1519 fol 21 ro.

Rekeningen van de Tweede Kameraar 1519.

The hammer of witches, A Complete Translation of the Malleus Maleficarum trans C.S. Mackay, Cambridge 2006.

M. van de Ruit, ‘Een afgrijselicke ende abominabele saecke’ – Toverijprocessen in Utrecht en Amersfoort 1590-1595, Utrecht 2008.