Brutale inbrekers sloegen in 1915 hun slag In villa Klara in Bilthoven. Zij namen daarbij een enorme som geld mee. De daders lieten een opvallend souvenir achter, dat door forensisch deskundige C. J. van Ledden Hulsebosch werd onderzocht. Foto: Van Ledden Hulsebosch in zijn laboratorium.

 

Meer informatie

Op woensdag 11 augustus reisde W.J.E. van der Werf om tien uur ’s ochtends met zijn gezin af naar Amsterdam. Het uitstapje zou de hele dag duren. Een jaar eerder was hij in de villa Klara aan de Spoorlaan in Bilthoven komen wonen en op deze woensdag was er niemand meer in huis. Alleen de hond des huizes bewaakte de woning.

De Spoorlaan was een rustige laan waar nog maar weinig huizen stonden. De bosachtige buurt was nog in ontwikkeling en stond bekend als De Bilt Station. Vier dagen eerder, op zaterdag, hadden omwonenden wel een paar mannen met fietsen gezien die zich op een verdachte manier in de omgeving van de villa ophielden, maar niemand had eraan gedacht om dat aan de politie te melden. Die woensdag omstreeks negen uur ’s avonds hoorden buren de hond van de familie blaffen. Dat geluid hield weldra op.

Twee of drie mannen hadden omstreeks die tijd een paneel uit de keukendeur gezaagd. Zij slopen het huis binnen en stuitten op de blaffende hond. De inbrekers hadden iets lekkers meegebracht dat zij een de hond voerden; de familie trof het dier later bewusteloos aan.

Via de huiskamer kwamen de dieven in de werkkamer van Van der Werf, waar twee brandkasten stonden. In de grootste lagen effecten, maar die safe konden zij niet openkrijgen. Een lichtere brandkast legden ze voorover en ze braken hem open ‘als een sardineblikje’, zo schreef de Arnhemse Courant. Er lagen bankbiljetten en munten in met een totale waarde van 45.000 gulden. Dat geld namen de dieven natuurlijk mee.

Daarna deed een van de inbrekers zijn behoefte in de hoge hoed van meneer Van der Werf die hij gevonden had. Hij zette de hoed in de brandkast als een symbolisch protest tegen de bezittende klasse. Door een raam verlieten de dieven het huis.

Toen de gezinsleden omstreeks half één thuiskwamen, roken zij onmiddellijk onraad. Van der Werf stelde onmiddellijk de politie op de hoogte, die zo snel mogelijk verscheen om onderzoek te doen terwijl de sporen nog warm waren.

De volgende ochtend kwam de burgemeester van De Bilt baron van Heemstra met leden van het Utrechtse parket kijken hoe ver het onderzoek gevorderd was. Enkele veldwachters brachten een politiehond mee, maar die werd afgeleid door het hondje dat in het huis aanwezig was. In een prieel in de tuin bleef de politiehand lang rondsnuffelen, zodat de agenten aannamen dat daar een man op de uitkijk had gestaan. Aan het raamkozijn trof de politie bloedsporen.

Inspecteur Van Duls ging met een auto naar Amsterdam en daar haalde hij C.J. van Ledden Hulsebosch op, een apotheker en chemicus die als de belangrijkste sporenonderzoeker van ons land werd beschouwd. Deze bekeek de achtergelaten vingerafdrukken en bloedsporen en maakte foto’s. Ook onderzocht de speurneus van nabij het cadeau dat de inbrekers hadden achtergelaten.

Over dergelijke ‘visitekaartjes’ schreef hij later in zijn boek Veertig jaren speurderswerk dat een inbreker vaak door nervositeit of angst een hevige aandrang in de spijsverteringsorganen voelt, maar niet de tijd en de mogelijkheid heeft om rustig op zoek te gaan naar een toilet. Verder, zo  voegde hij daar nog aan toe, ‘hecht hij er bijzondere betekenis aan, de plaats van ontvangst voor dat visitekaartje zoodanig te kiezen, dat de hoogere temperatuur van meergenoemd „spoor” zoo lang mogelijk behouden blijft; immers: zoo lang dáár de hoogere temperatuur behouden blijft, slaagt de Politie er niet in, eenig spoor van den dader te vinden! Is het dan niet begrijpelijk, dat altijd naar bijzondere bewaarplaatsen wordt uitgezien, welke voldoende waarborgen bieden tot het behoud der temperatuur van den haar toevertrouwden inhoud?’

Aan het resultaat kon Van Ledden Hulsebosch gewoonlijk onder de microscoop zien wat de inbreker gegeten had. Ook kon men zo soms medische afwijkingen bij de dader vaststellen. De vader van Hulsebosch had er zelfs een standaardwerk in het Duits over geschreven. Zelf had hij een apparaat geconstrueerd dat dat de materie kon spoelen en zeven, de coprolysator, zodat zijn gevoelige neus enigszins gespaard bleef.

Al dit onderzoek leidde tot weinig. De politie liet weten dat zij geen duidelijke aanwijzingen had gevonden, maar dat de agenten het onderzoek met grote ijver voortzetten. Van der Werf was verzekerd tegen diefstal, maar hij loofde duizend gulden uit voor tips die konden leiden tot opsporing van de daders.

DAB

 

Literatuur:

C.J. van Ledden Hulsebosch, Veertig jaren speurderswerk – losse schetsen, Amsterdam 1945.

De Standaard, De Tijd, Het Vaderland, De Arnhemse Courant, De Nieuwe Courant en het Nieuwsblad van het Noorden alle van 13 augustus 1915.

De Maasbode, het Rotterdamsch Nieuwsblad en de Standaard van 14 augustus 1915.