Afgebeeld is een stuk tekst uit het rapport uit 1616 in het Algemeen Rijksarchief over de strijd tussen de graven van Egmond enerzijds en de heren van Culemborg, Rennenberg en Lalaing-Hoogstraten, alle drie verwant met elkaar, anderzijds. Het ging over het bezit van de heerlijkheden Zuilen en Westbroek. (Zie: https://onlinemuseumdebilt.nl/de-orde-van-het-gulden-vlies-en-westbroek/ )

 

Meer informatie

In deze tekst wordt duidelijk, dat de claim van het klooster Oostbroek op de heerlijkheid Westbroek een valse claim is en het werk van twee edellieden, de graven van Culemborg en Rennenberg, die geen recht hadden op de heerlijkheid. Deze tekst laat zien hoe de vervalsing in de zestiende eeuw in zijn werk ging.

Twee Hollandse ballingen, Duivenvoorde en Poelenburgh, lieten volgens het rapport uit 1616 in de vroege zestiende eeuw over de heerlijkheden Zuilen en Westbroek valse erfpachtbrieven van het klooster Oostbroek fabriceren, in opdracht van de schoonvader van graaf Rennenberg, de heer van Culemborg, om de graaf van Egmond te beroven van zijn wettige bezit van de twee heerlijkheden. De vervalsing werd gemaakt door de koster van Aarlanderveen. Duivenvoorde en Poelenburgh lieten daarna door een Haarlemse goudsmid het zegel van het klooster Oostbroek vervalsen en bevestigden dat aan de akte. Daarna brachten ze het vervalste document naar De Bilt. Het bewijs van de falsificatie was volgens het rapport  van 1616 te vinden in de boekhouding van de rentmeester van Zuilen en Westbroek, die de falsificatie van de ‘kwalijke  erfpachtbrieven’ op zijn sterfbed nog opbiechtte.  Intussen beleende de abt van Westbroek in 1510 Rennenberg wel met de heerlijkheden Zuilen en Westbroek.

Het voorgaande werpt een merkwaardig licht op de tekst op de gedenkplaat in kerk van Westbroek, waar de heer van Rennenberg is begraven. ‘Daer t hart Zuijlen inde cappelle is begraven ende he[e]t inghewant hier inde Westbroeck ende het lichaem tot Oostbrock is begraven.’ Was deze deelbegrafenis op Oostbroek een extra bevestiging van de valse claim van de familie Rennenberg? (Zie: https://onlinemuseumdebilt.nl/de-gedenkplaat-van-graaf-willem-van-rennenberg/ )

Aan het einde van de zestiende eeuw wilde Lamoraal II van Egmond de heerlijkheden in bezit nemen, maar in het geschil tussen Egmond en Rennenberg was nog steeds niet door het Hof van Utrecht beslist. Intussen wierpen de Staten van Utrecht zich op als vertegenwoordigers van de abt van Oostbroek nadat de abdij in 1580 en 1581 was gesloopt).  Omdat de erfpacht niet betaald was, zo stelde men, vielen Zuilen en Westbroek in handen van Oostbroek, dat wil zeggen van de Staten zelf. Egmond werd feitelijk onteigend op grond van een falsificatie. De graaf van Hoogstraten kocht de claim van Egmond een paar jaar later af.

 

Transcriptie van de getoonde tekst:

Fragment 1

Dit siende dese twee ballingen van Hollant Duyvenvoorde ende Poelenborgh, hebben valsche erffpachts brieven gefabriceert ende deselve laeten scrijven  vande  koster van Arleveen ende hebben t segel  van t Convent van Oostbroeck laeten naer steken tot Haerlem bye goutsmith aldaer als by de oort  in die Saengten ende is Aert Vinck rentmeester  van de goederen van Suylen ende Westbroeck mitsgaders de twee ballingen van Hollandt gereijst van Culeborg naar Arleveen, hebben aldaer de valsche erffpachts brieve gelight ende hem de koster van Arleveen deselve betaelt, geleijck zy oock vandaer gereyst zijn naer Haerlem ende hebben het valsche zegel van de Convente van Oostbroick dat daer naer  gesteken was, oock Bilt aen ende met haer genomen, als by de getuijgenisse desselve Aerts Vinck liggende in syn dootbedde blijck, ende oock by vele ende duersche enquesten gedaen voir de raet[]sheeren die qamen van Utrecht  als oock by de rekeninge desselve Aerts Vinck rentmeester van Suylen ende Westbroeck in welcke rekeninghe hy t selve vervoirde erffpachtsbrieven segel betaelt heeft,  ter rekeninge brenghen.’

 

Fragment 2

Ende heeft de Grave van Egmondt dese heerlickheden van Suylen ende Westbroeck  in besit genomen ende is het proces hangende voir de hove van Utrecht tusschen die van Egmont ende Rennenborgh soo ongedecideert blyven hangen. Middeler tyt syn de heeren Staeten van Utrecht gekomen seggende te representeeren de abt van Oostbroeck ende hebben die van Egmont in reght geroepen seggende allsoo dese goederen ter erffplicht waeren van de Convente van Oostbroeck ende erffplicht in lange jaeren niet betaelt en was ende allsoo versuijmt, dat daromme de heerlijckheden aen de Convente vervallen waeren.’

Voor de complete tekst van het rapport,en de herkomst ervan, zie: https://onlinemuseumdebilt.nl/de-orde-van-het-gulden-vlies-en-westbroek/

 

AD

 

Gillis de Saen: Het Kasteel Egmond aan den Hoef (ca.1570). Rijksmuseum.