Tijdens de nationale dodenherdenking van 1969 waren er op verschillende plekken in Nederland incidenten. In Bilthoven vond een protest plaats van ongeveer dertig leerlingen, oud-leerlingen en docenten van de Werkplaats onder wie prof. dr. J.H. Dubbink. De afbeelding toont de dodenherdenking negen jaar later op dezelfde plek. (Foto A.D. Kon, Collectie Het Utrechts Archief) Het protest was gericht tegen militair vertoon en was een oproep om ook te denken aan geweld in het heden.

 

Meer informatie

De actie van de protesterende jongeren bestond uit het uitdelen van stencils met de tekst (hier overgenomen zonder de ondertekening):

Het herdenken van oorlogsslachtoffers is volgens ons een goede zaak; 
De grootste eer die we de gevallenen kunnen bewijzen, is het zich volledig inzetten voor een wereldvrede. Ieder militair vertoon bij een oorlogsherdenking is beschamend en de grootste oneer die we de gevallenen kunnen bewijzen.
Is het niet immoreel om zowel te herdenken als mee te betalen aan de fabricage van wapens voor oorlogsdoeleinden?
Wij beschouwen deze herdenking als een bezinning op alle wantoestanden die heersten en heersen, niet alleen dié in onder andere Nederland, 25 jaar geleden, maar ook die tegenwoordig, over de hele wereld (bijv. in Tsjechoslowakije, Portugees-Angola, Mozambique, Biafra, Griekenland, Spanje, het Midden-Oosten, Noord-Amerika, Rusland, Zuid-Amerika).

Het protest was gericht tegen het militarisme. Dit blijkt ook uit een ander deel van hun actie: tijdens het commando ‘presenteert geweer’ draaiden alle actievoerders hun rug naar de deelnemers aan de herdenking. Hiermee lieten zij zien dat ze tegen het vertoon van geweren bij de dodenherdenking waren, omdat die als symbool van militarisme ongepast zijn bij het eren van oorlogsslachtoffers. Het lukte niet om de boodschap breed te verspreiden, omdat de politie ingreep. Bij de herdenking in De Bilt werden alle stencils ingenomen en de actievoerders werden weggeleid. In Bilthoven konden de jongeren zonder ingrijpen hun stencils uitdelen.

De actievoerders waren verontwaardigd over de manier waarop burgemeester Fabius en de politie omgingen met het protest. Vanwege het in hun ogen onterechte optreden van de politie op 4 mei schreven de actievoerders een paar dagen later een brief aan de burgemeester en wethouders van gemeente De Bilt. In de brief stond onder andere dat ze het vreemd vonden dat een beslissing die de burgerlijke vrijheden van mensen raakt, de beslissing om het protest te stoppen, zo willekeurig genomen werd. Ze vonden het vreemd dat in De Bilt de actie moest stoppen, terwijl in Bilthoven de protesteerders nog door konden gaan.

Het protest bij de dodenherdenking van 4 mei 1969 is een goed voorbeeld van de maatschappelijke onrust in die tijd. In de jaren zestig werd de Nederlandse jeugd voortdurend actiever op politiek gebied. Ontwikkelingen zoals ontzuiling, ontkerkelijking en de escalatie van de oorlog in Vietnam hadden geleid tot een geëngageerde, gepolitiseerde jeugdcultuur. Jongeren, met name studenten, organiseerden steeds meer protesten. Het protest bij de dodenherdenking in gemeente De Bilt is een lokaal voorbeeld hiervan; slechts drie van de dertig protesteerders waren volwassenen. Uit het stencil blijkt duidelijk dat deze leerlingen van de Werkplaats zich niet alleen bezighielden met militarisme in Nederland, maar ook met wantoestanden over de hele wereld.

MJB

Literatuur:
Hans Righart, De eindeloze jaren 60. Geschiedenis van een generatieconflict (1995)
Het Parool, 6-5-1969 (via Delpher)
Het Parool, 5-5-1969 (via Delpher)
De Volkskrant, 5-5-1969 (via Delpher)
Algemeen Handelsblad, 5-5-1969 (via Delpher)
Bernhard Schut, ‘Van Provo’s en Kabouters’, De Biltse Grift september 2013