Tussen de Burgemeester De Withstraat in De Bilt en de Utrechtseweg ligt het Van Boetzelaerpark. Het is in 1930 ontworpen door H. Copijn en Zn. uit Groenekan. Het park werd aangelegd door werklozen in het kader van een werkverschaffingsproject. Het is uitgevoerd in de Engelse landschapsstijl, die probeert op een natuurlijke manier een schilderachtig en romantisch landschap te creëren. Het park bevat een grote vijver met een fontein en een bruggetje. Een deel van het park aan de Utrechtseweg is nog in gebruik als weidegrond.

 

 

Meer informatie

Doctor Carel Wessel Theodorus baron van Boetzelaer van Dubbeldam was theoloog en lid van de Tweede Kamer. In 1930 besloot hij op een deel van de grond van zijn landgoed Sandwijck een wandelpark aan te laten leggen dat hij zou schenken aan de bevolking van De Bilt.

Aanvankelijk reageerde de gemeenteraad heel positief op die schenking, maar weldra kreeg men bedenkingen. Van Boetzelaer had namelijk voorwaarden gesteld. Dat de gemeente het park most onderhouden, was logisch. De grond moest eeuwig als park bestemd blijven. Hierdoor zou de baron voor altijd voor zijn huis een mooi uitzicht houden terwijl overal elders de bouw van woningen toenam. Boze tongen beweerden zelfs dat de baron, een kamerlid voor de Christelijk Historische Unie, het park had laten aanleggen om niet naar de Sint Michaëlkerk te hoven kijken.

Men stoorde zich vooral aan een andere voorwaarde: als het park door wijziging van de gemeentegrenzen in een andere gemeente zou komen te liggen, moest De Bilt aan de Van Boetzelaers vierhonderdduizend gulden betalen of 242,6 kilo fijn goud. In die jaren was men zeer bezorgd dat Utrecht de Bilt zou opslokken. Na overleg sprak men af dat in geval van grenswijziging het geld zou worden gestort in een fonds om ouden van dagen en wezen te helpen. Het hiervoor opgerichte fonds zou het Doctor Carel van Boetzelaerfonds heten. In 1932 besloot de raad om de schenking van het park te aanvaarden.

DAB

Literatuur:
S. Broekhoven en S. Barends, De Bilt, Geschiedenis en architectuur, Zeist 1995 p. 257-259.