Dit is een deel van een kaart van de stadsvrijheid van Utrecht in 1541, een kopie van N van der Monde uit 1840 naar een schilderij van Evert van Schayck uit 1541 (Collectie Utrechts Archief). Het noorden ligt rechts op de kaart. Rechtsonder ziet men: Bilten lande after Vreedale, rechtsonder Oostveen, het gerecht waarvan het gebied later het grootste deel zou uitmaken van de voormalige gemeente Maartensdijk.

 

Meer informatie

Het klooster Vredendaal lag ten zuiden van de Biltstraat, ter hoogte van het huis Griftenstein. Deze locatie werd bij een grenswijziging in 1954 bij de toenmalige gemeente De Bilt gevoegd. Het klooster werd waarschijnlijk rond 1400 gesticht door Wermbold van Boskoop. Deze was  een persoonlijke vriend van Florens Radewijns, die op zijn beurt weer een vriend en leerling was van Geert Groote, de grondlegger van de Moderne Devotie, een belangrijke kerkelijke en maatschappelijke vernieuwingsbeweging.

 

Na de dood van Wermbold in 1413 ging het klooster over  naar de orde der reguliere kanunniken van Sint Augustinus. Daarom wordt het aangeduid als het Regulierenklooster Vredendaal. In de strijd tussen de bisschop aan de ene kant en Gelre en de stad aan de andere kant werd het klooster op 12 september 1527 eerst bezet door de troepen van de  bisschop. Daarna werd het door door de Geldersen legeraanvoerder Maarten van Rossum ingenomen. In de nacht van 29 op 30 april 1528, werd het door de Geldersen in brand gestoken.  Men wilde door de vernietiging van het klooster vermijden dat de bisschoppelijke troepen het weer zouden innemen en zo  de Steenstraat tussen Utrecht en De Bilt beheersen.  De abdis van Vrouwenklooster, Henrica van Erp, noteerde:

Twee dagen voor Exaltatio Crucis [12 september 1527] kwam deze gehele troep naar het klooster Vredendaal en werd daar gelegerd. Op Exaltatio Crucis [14 september] ging men weg en viel op zekere nacht het klooster [Mariënhof] in de Birkt [te Amersfoort] binnen en richtte daar grote schade aan. Ons klooster ondervond ook grote schade vanwege de soldaten, toen die op Vredendaal gelegerd waren. Ze dorsten eigenmachtig ons koren [als voer] voor de paarden en we moesten hun bier, brood, boter en vlees geven, enzovoorts, alles dat we hadden. Een gedeelte van dit krijgsvolk trok weer naar de Vaart om daar die winter gelegerd te blijven en grote schade in het Sticht aan te richten.

De stad Utrecht had ook veel ruiters en soldaten [binnen de muren] die door brandstichting en plundering eveneens grote schade aanrichtten in het [omringende] land. […]De dag voor mei-avond [29 april 1528] lieten de Gelderse ruiters die in Utrecht gelegerd waren, het klooster Vredendaal geheel afbranden […]Een tijd na Pasen [1529] werd het Sint Catharinaklooster voor een deel afgebroken. [Van de bouwmaterialen daarvan] werd toen een burcht gebouwd die Vredenburg heette. Alle stenen van het klooster Vredendaal, van het Huis Ter Horst en van het Huis te Vreeland werden daarin [ook verwerkt en] gemetseld.

AD

Bron: Anne Doedens en Henk van Looijesteijn eds., De kroniek van Henrica van Erp (Hilversum 2010).