Een groot deel van het landgoed Houdringe aan de oostkant van De Bilt is wandelgebied. In het landhuis is sinds 1956 de Grontmij gevestigd. Afgebeeld is een  prent van J.P. Houtman naar een tekening van W. Hoevenaar uit ca.1828 (Collectie Utrechts Archief).

Meer informatie

Het buiten Houdringe maakte oorspronkelijk deel uit van het grondbezit van het klooster Oostbroek. Na de Reformatie kwam de kloostergrond in handen van de Staten van Utrecht en werd deze aan particulieren verkocht. Rond 1630 is er sprake van een boerderij bewoond door Aelbert Gijsbertsz in ’t Veld. Kort daarna duikt als eigenaar op Jan Hendrik de Mamuchet. De Mamuchet is een Amsterdamse koopman, afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden, waar hij grond bezat in de omgeving van Rijssel en Doornik. De naam Houdringe zou afkomstig zijn van een van zijn landerijen aldaar. In 1660 gaf hij de boerenbehuizing door verbouwing enige allure. Na nog een verbouwing werd in 1779 na sloop een geheel nieuw buiten gebouwd in classicistische stijl. Dit gebouw is tot op heden in grote lijnen bewaard gebleven en dat geldt ook voor delen van het interieur uit de achttiende eeuw.

Intussen was een nieuwe familie eigenaar geworden. De dochter van Johan Frederik de Mamuchet was getrouwd met Jan Jacob van Westreenen (1685-1769). Zo kwam het buiten in bezit van een welgestelde Utrechtse regentenfamilie. Zij lieten in 1779-1780 het nieuwe buiten bouwen door de Amsterdamse architect Abraham ’t Hart. In 1824 kreeg het park het uiterlijk van een Engels landschapspark. Het landgoed was in de jaren ongeveer 340 ha groot.

De Van Westreenens verkochten in 1841 het landgoed aan jonkheer mr. Johan Carel Willem Fabricius, heer van Leyenburg ( 1795-1881). Na zijn dood bleef zijn vrouw er tot 1888 wonen. Wel verkocht zij 325 ha van het noordelijke deel van het landgoed. Hun dochter Constantia Wilhelmina Fabricius erfde Houdringe. Zij was in 1882 gehuwd met Godfried Hendrik Leonard van Boetzelaer (1842-1919). Zo kwam Houdringe in handen van de familie Van Boetzelaer en dat bleef zo tot 1954. Godfried van Boetzelaer was wethouder in De Bilt en lid van de Provinciale Staten van Utrecht.

Aart Mijndert Albert van Boetzelaer, heer  van Wolferen en Loenen (1885-1955), was burgemeester van Ruwiel en Loenersloot (1916-1930) en na 1930 gemeenteraadslid in De Bilt. Hij verkocht  in 1954 het landgoed aan de Stichting Het Utrechts Landschap. De stichting verkocht in 1956 een gedeelte, met name  het buiten en de directe omgeving, aan de in 1915 opgerichte Grontmij (sinds 2017 Sweco). Van Boetzelaer ging op zijn landgoed bij Oosterhout in de Betuwe wonen.

De Grontmij beheert haar bezit zorgvuldig, waarbij men de historie van het buiten  in het oog houdt. De bijgebouwen zijn in goede verhouding met het oorspronkelijke buiten gebouwd. De meeste grond is door Het Utrechts Landschap beschikbaar gesteld als wandelgebied.

PvH

Literatuur:

J.W.H.Meijer, Kleine historie van De  Bilt en Bilthoven. Bunnik 1996.

H.M.J. Tromp, Buitenplaatsen bij de Bilt. Vollenhoven, Houdringe en Beerschoten. Zeist 1980.

https://www.buitenplaatseninnederland.nl/debilt-houdringe.html

www.absolutefacts.nl/kastelen/data/houdringe.htm

Catharina L. van Groningen. De Utrechtse heuvelrug. De Stichtse Lustwarande. Zwolle-Zeist 1999.

Lies Haan-Berends, ‘De Bilt, beginpunt van de Stichtse Lustwarande’, De Biltse Grift, juni 2009, p. 44-58