Wie de sfeer van het Nederlandse landschap in de jaren zeventig en tachtig van de negentiende eeuw wil proeven, kan terecht bij de werken van Jacobus Craandijk (1834 – 1912) van wie men hier een afbeelding ziet [Brabants Historisch Informatie Centrum].

Meer informatie

Craandijk  was een doopsgezinde predikant die bekend staat als een groot wandelaar. Van zijn omzwervingen deed hij verslag in zijn (Nieuwe) Wandelingen door Nederland met pen en potlood (1875-1888). Craandijk werkte nauw samen de tekenaar Piet Schipperus. Aan Craandijk danken we de beschrijving van een treinreis van Utrecht naar De Bilt en van zijn indruk van Bilthoven (dat die naam toen nog niet droeg). Hieronder beschreven het citaat daarover uit Craandijks Nieuwe wandelingen door Nederland (Haarlem 1888). Interessant is ook zijn verwijzing naar mogelijke archeologische vondsten tussen Bilthoven en Maartensdijk door de Maartensdijkse burgemeester en de architectuurhistoricus Frans Eyck van Zuylichem.

AD

De treinreis naar en de wandeling door wat later Bilthoven ging heten

De Centraalspoor verleent ons haar diensten tot het station Bilt. De spoorbaan buigt zich aanvankelijk om de stad, zoodat wij eerst nog geruimen tijd de daken en torens, en boven alles uit den hoogen Domtoren, op korten afstand nevens ons houden. […] Wij zijn [na het verlaten der stad] nog in de veenen. Daar liggen ook de forten, die in tamelijk ruimen kring de stad beschermen ende smalle, kronkelende wegen door de inundatiën bestrijken. Een dier forten, nabij het punt, waar de Oosterspoor [naar Hilversum] den Centraal kruist, komen wij digt voorbij. ’t Heeft iets eigenaardigs, want uit de groene wallen verheft zich een torenspits. Daarbinnen ligt dan ook een dorpje [Blauwkapel] opgesloten, een dorpje uit een speelgoeddoos. Niet altijd lag het binnen dien gordel gekneld. ’t Was reeds van oudsher een buurt, Oostveen genaamd en behoorende tot de lange en smalle strook veengrond, die onder den naam van de Oostveensche landen op de grens tusschen het Over-en het Nederkwartier [van het Sticht Utrecht] lag. […]  Zijn wij het fort voorbij, dan hebben wij ook weldra den lagen veenbodem verlaten en ’t is al spoedig te zien, dat wij een landstreek van een gansch ander karakter zijn binnengetreden. ’t Is hakhout en roggeveld, hier en daar dennen of eikenhout […]..Aan ’t station Bilt stoppen wij. Wij verlaten den trein, het stoomros rent voort, ’t is in een oogwenk achter het dennenbosch verdwenen  […] [Verrassend is ’t de overgang uit de beschaafde wereld der spoortreinen en telegraaflijnen in de diepste stilte en de volstrektste eenzaamheid. De oningewijde, die alleen weet dat de Bilt een klein maar vrolijk dorp is, van schoone landgoederen omringd, zou alligt iets daarvan denken te zien bij het station van dien naam. Wie met de plaatselijke gelegenheid bekend is, weet, dat het dorp ongeveer een halfuur van ’t station verwijderd is. Van hier zien wij dan ook niets, dan de laan die erheen leidt. Bij de spoorbaan ligt een logement. Dit is, behalve ’t stationsgebouwtje, het eenige huis. Spoedig is ’t aan ons oog onttrokken, als wij den weg opwandelen en voorts zien wij voor eerst geen woning, geen mensch, geen dier meer. Aanvankelijk is ’t een laan van schrale eikjes, waarin de straatweg loopt. […]Weldra wordt de laan wat meer belommerd. […]  Wat is ’ t hier stil! […]

Op eenigen afstand van ’t station kwamen wij aan onze linkerhand een lange, breede oprijweg voorbij, aanloopend op een groot, met kolommen versierd heerenhuis in de verte. Welligt zijn daar, een tien minuten van den ingang, aan de Oostzijde, de beide aarden omwallingen nog te vinden, voor eeuwen hier in zand en heide tot een nog niet ontraadseld doel opgeworpen. ’t Is de laan van het uitgestrekte, aanzienlijke landgoed Eijckenstein.

Het artikel van burgemeester en architectuurhistoricus Frans Eyck van Zuylichem: Prehistorische wallen bij Eijckenstein