In de zeventiende eeuw waren er plannen voor een vaart die Utrecht met de zee zou moeten verbinden. Kaart  uit 1720 van het gebied ten noorden van de stad Utrecht tot aan de Zuiderzee de plannen van de Commercie-compagnie. (Collectie Utrechts Archief)

 

Meer informatie

Grondgebied van De Bilt en Maartensdijk was inzet van echte windhandel, zoals de Tulpomanie uit de 17e eeuw en de South Sea Bubble in Engeland in 1720. Het begon in de zeventiende eeuw met een project Eemse Vaart of Eemvaart, het maken van een vaart tussen Utrecht en de Eem en de Zuiderzee. Zo wilde men de Domstad deel laten hebben aan de via waterwegen verkregen rijkdom van de Gouden Eeuw. In het plan van de Utrechtse landmeter Paulus Ruysch liep het kanaal onder meer over de Praamgracht, waarvan thans nog een sloot over is voor het buiten Eyckenstein. De laatmiddeleeuwse Praamgracht werd gebruikt voor  het vervoer van turf, onder andere uit het nonnenland.

Het project werd niet doorgezet. Trekschuitvaarten rendeerden vooral door personenvervoer en daarvan was in dit geval onvoldoende sprake. Even leefde het idee weer op, in 1675 maar het verdween daarna weer uit beeld. In 1720 pakte de Provinciale Utrechtsche Compagnie van Commercie en Assurancie  het Eemvaartproject weer op.

De technische uitwerking van dit plan liet nogal te wensen over. Nergens zijn sluizen aangegeven of voorzieningen tegen hoogwater uit de Zuiderzee. Het belangrijkste bezwaar was echter de Compagnie zelf, welke op windhandel berustte. Tot daadwerkelijke werkzaamheden kwam het niet.  Intussen gingen de geïnvesteerde gelden – evenals bij het South Sea project – verloren. Het bleek een echte ‘Bubble’, zoals we die ook in de 21ste eeuw regelmatig zouden meemaken.

AD