Op 30 maart 1639 bespraken de geërfden van Oostveen  een ernstig probleem: het dorp zuchtte onder zware financiële lasten.  [De pachtbetaling toegeschreven aan Quiringh Gerritsz. van Brekelenkam, 1660 – 1668, Rijksmuseum Amsterdam.]

 

Meer informatie

Er waren zoveel dorpelingen uit het dorp vertrokken zonder aan  hun verplichtingen te voldoen, dat de niet betaalde belastingen en aan het gewest verschuldigde gelden ten laste kwamen van de achtergebleven Maartensdijkers die onder deze druk zwaar gebukt gingen. Op 30 maart 1639 bespraken de geërfden van Oostveen de zaak:

dat verscheiden ingezetenen in den dorpe van Oostveen wonende, haar goederen verlaten, ende zoo van dorps- als particuliere lasten, veel zijnde, uit den voorschreven dorpe en ook uit deze provintie wijken, waardoor de andere ingezetenen de verschenen   ende onbetaalde ongelden zouden mogen moeten dragen,

Dat strekken zoude tot derselver uiterste verderf, hebben goedgevonden en dienvolgende geresolveerd, zoo bij monde als geschrift, aan de Ed. Mog. Heeren Staaten dezer provintie te verzoeken, dat de onbetaalde en verschenen ongelden van de geaufugeerden [uitgewekenen] zouden mogen worden geremitteerd [kwijtgescholden] ende de voorschreven dorpslasten van consumtie [op gebruiksgoederen] quotisatie [idem, of: op bezit], logiesgelden [belasting op verblijf, doorgaans echter: inkwartieringskosten]  ende hoofdgelden [hoofdelijke belastingen] en zooveel de geaufugeerden [uitgewekenen] deselven hebben moeten dragen, vermindert’.

De schout kreeg opdracht een overzicht van alle verschuldigde dorpsbelastingen te maken, inclusief het aandeel van degenen die uit het dorp weggetrokken waren, een dossier van betaalde en nog niet geïnde belastinggelden. Verder werd de Staten gevraagd om (kennelijk buiten het gerecht wonende) personen  die grond in gebruik hadden en daarvoor de verschuldigde gelden niet voldaan hadden. Onbekend is of de gevraagde belastingvermindering werd verleend. Hoewel 1639 niet bekend staat als een crisisjaar kan uit het voorgaande wel worden opgemaakt, dat het het dorp dat jaar economisch niet goed moet zijn gegaan.

AD

 

Bron: Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen, toegang 1033 (gerecht Oostveen), kopieboeken van de resoluties van de geërfden van Oostveen, 3 (1639-1682)