Ik wist niet of ik een uur later nog in leven zou zijn, vertelde  Gysbert Hendrikszoon, want de bevolking maakte een vreselijk lawaai en er waren ook kannibalen bij. In 1664 bevrijdde Michiel de Ruyter in West-Afrika een man uit Westbroek die met zijn twee dochters door de Engelsen ‘als slaven’ aan een Afrikaanse vorst was overgeleverd. Afbeelding: Michiel de Ruyter als luitenant-admiraal, Ferdinand Bol, 1667.

 

Meer informatie

In 1664 had de broer van Karel II van Engeland, de latere Jacobus II, de opdracht gegeven om Nederlandse factorijen in Afrika te bezetten. De Engelse admiraal Holmes had met zijn expeditie enig succes. Dat was voor de Hollandse raadpensionaris Johan de Witt een reden om admiraal Michiel de Ruyter met twaalf schepen naar de Westkust van Afrika te sturen. Op 5 oktober vertrok de vloot uit Cadiz.

Met intimidatie dwong De Ruyter de Engelsen om het eiland Gorée (genoemd naar Goeree) terug te geven. Daarna zeilde hij naar Sierra Leone, waar hij de rivier opvoer. Bij een waterplaats liet hij in goed overleg met de daar wonende Afrikanen water innemen en brandhout hakken.

Van een plaatselijke koning hoorde De Ruyter dat de Engelsen verderop aan de rivier een eiland met pakhuizen hadden, waar zij een Nederlander met zijn vrouw en twee dochters gevangen hielden. Ze hadden ook een Nederlands schip in beslag genomen. De admiraal besloot om de gevangenen te bevrijden en op 4 december 1664 ging hij met vier van de lichtste schepen verder de rivier op.

Hij stuurde een sloep naar het eiland en na een korte schermutseling was de Engelse aanvoerder Hodge bereid te praten. Hij gaf toe dat er een Nederlander met twee dochters was geweest; zijn vrouw was drie weken eerder gestorven. De man was, zo beweerde hij, vrijwillig met zijn dochters verder de rivier op gevaren. De Nederlandse delegatie begreep echter dat het onder dwang was gebeurd en eiste de gevangenen op. Hodge stuurde een kano naar de Afrikaanse vorst, maar het kostte een dag en een tweede bericht voordat deze bereid was om zijn ‘slaven’ terug te geven.

Toen de Nederlander op 10 december met zijn dochters bij De Ruyter werd gebracht, vertelde hij dat hij uit Westbroek in het gewest Utrecht kwam en dat hij Gysbert Hendrikszoon heette. De Engelse kapitein Holmes had bij het eiland Gorée zijn schip De Bril in beslag genomen. Nadat Hodge de gevangenen aan de Afrikanen had overgeleverd, hadden ze doodsangsten uitgestaan, want de plaatselijke bevolking maakte een schrikwekkend lawaai en er waren ook kannibalen bij.

Hij vertelde ook over allerlei goederen die de Engelsen op het eiland hadden opgeslagen. Het ging onder meer om koopwaren van de West-Indische Compagnie en om twee Hollandse kanonnen. De Ruyter liet het eiland bestormen en zijn mannen vonden er onder meer ruim 1400 olifantstanden en veel handelsgoederen. Een van de dochters uit Westbroek wees ook de plek aan waar de Engelsen 1500 ijzeren staven hadden begraven die voor de handel waren bestemd. De Ruyter liet grootmoedig een deel van de koopwaren achter zodat de Engelsen er later handel mee konden drijven.

Door deze stoutmoedige expeditie en het vervolg ervan in het Caraïbische  zeegebied was zijn reputatie in Europa voorgoed gevestigd. Het conflict met de Engelsen vormde een opmaat voor de Tweede Engelse Oorlog.

Hieronder: Fort Oranje en Nassou op het eiland Gorée waar Gysbert Hendrikszoon gevangen genomen was; tekening van O. Dapper 1676.

DAB

 

Literatuur:

G. Brandt, het leven en bedryf van den heere Michiel de Ruyter, Hertog, Ridder &c, L. Admiraal Generaal van Hollandt en Westvrieslandt, Amsterdam 1691.