In 1960 droeg één op de drie Nederlanders een kunstgebit of ‘volledige prothese’. Dat werd beschouwd als het onvermijdelijke gevolg van het ouder worden. Velen lieten al ver voor hun pensioen al hun tanden en kiezen trekken om een kunstgebit te nemen. Op het platteland kregen meisjes soms een kunstgebit inclusief het leegtrekken van hun mond als bruidsschat.

Steradent van de Biltse onderneming Reckitts speelde daarbij een rol. Het beloofde, het gebit te reinigen en de tanden schitterend wit te maken. In de reclames, zoals hier in het Utrechts Volksblad van 1938,  werd een volledig zwart gebit in iets moois omgetoverd. Reckitts had hiermee als marktleider een gouden bron van inkomsten.

 

Meer informatie

Tegenwoordig heeft nog hooguit één op de tien Nederlanders een kunstgebit en dat zijn vooral oudere mensen. Wat heeft die omslag veroorzaakt?

De bijtkracht van een kunstgebit is aanzienlijk minder dan de kracht van de eigen tanden: je kunt niet meer lekker in een appel bijten. Vooral de onderkaak presteert vaak minder. Dat heeft vaak ongewenste gevolgen voor de spijsvertering en dus voor de gezondheid. Verder werd het soms als een beetje onsmakelijk ervaren als het gebit na verloop van tijd wat losser kwam te zitten en ‘klepperde’. Toen prinses Wilhelmina bij de inhuldiging van koningin Juliana in 1948 ‘Leve de koningin’ riep, zakte haar bovengebit los.

In de jaren vijftig begon er een voorzichtige verbetering in de manier waarop de Nederlanders hun tanden verzorgden. Dat begon bij de jeugd. Schooltandartsen controleerden en onderhielden de kindergebitten, tot het bezoek aan de scholen alleen nog maar nodig was voor kinderen uit de armere milieus.  Ze leerden de jeugd dat je je tanden moest poetsen en propageerden weldra tandpasta met fluoride. Later werden ook campagnes op touw gezet om minder te snoepen en veel ouders namen dat doel op in hun opvoedingsstrategie.

Dat leidde weldra tot regelmatiger bezoek aan de tandarts. Daarvoor waren meer tandartsen nodig en die werden dan ook opgeleid. Later werden zij ondersteund door mondhygiënisten. Ook de techniek ging met sprongen vooruit, te beginnen met snellere boren die met  water gekoeld werden. Kostbare implantaten zorgden voor het langer behouden van de eigen bijtkracht. De Nederlanders onderhielden hun eigen gebit beter. Elektrische tandenborstels borstelden grondiger en de opkomst van floss en tandenstokers had een preventieve werking.

Voor deze ontwikkelingen was veel geld nodig. Dat de tanden en kiezen er nu beter uitzien, is zowel het gevolg van de techniek en het bewustzijn van de mensen als van de welvaart. Steradent wordt nog altijd verkocht – je kunt er ook zweetvlekken mee verwijderen uit kleding – maar de meeste mensen kennen het niet meer.

DAB

 

Literatuur:

A. van Bergen, Gouden jaren, hoe ons leven in een halve eeuw onvoorstelbaar veranderd is, Amsterdam 2014.

A. Van Bergen, Het goede leven, Hoe Nederland in een halve eeuw steeds welvarender werd, Amsterdam – Antwerpen 2018.