Toen de tram nog door de Dorpsstraat reed, was er weinig verkeer en speelden dekinderen op straat. De heren nam hun hoed af voor de dames en rookten sigaren op straat. De post kwam tweemaal op een dag en de radio was de enige bron van informatie en ontspanning. De tram was een gemakkelijk en populair  vervoermiddel in een tijd dat  particuliere auto’s vrijwel ontbraken in het straatbeeld.  Foto: de laatste tramrit door de Dorpsstraat op 2 augustus 1949. (Foto J. v.d. Berg)

 

Meer informatie

De tram reed van Utrecht naar Zeist via De Bilt en v.v. en stopte onderweg bij restaurant Het Kalfje, Steijnenburg, de Kerklaan, het Kloosterpark en verder in het dorp. Wie eruit wilde, trok aan het koord dat bovenlangs in de tramwagen liep, waarop een ’tingting’ de bestuurder deed stoppen bij de eerstvolgende halte.

Het besturen van de tram werd ervaren als een ernstige bezigheid waarbij alle aandacht nodig was.                                                                                                                                            De bestuurder stond voorin de tram met een geëmailleerd plaatje boven zijn hoofd waarop de tekst Niet spreken met de bestuurder en daarnaast een ander plaatje met niet spuwen. Niet alleen rookte men overal, ook in de tram, maar de gewone man kauwde ook op pruimtabak. Deze pruimers, voor het merendeel boeren, waren gewend om regelmatig een flink straal bruin tabakssap met kracht op straat te doen belanden, een gewoonte die in de tram niet op prijs gesteld werd.

De conducteur, met een leren geldtas op zijn buik en een soort klapper met kaartjes in de hand, verkocht en  controleerde nauwgezet de plaatsbewijzen. Om wisselgeld terug te geven, werd de geldtas eerst geschud, waarna de gewenste geldstukken eruit werden gepikt. Hij trok aan het koord als de passagiers waren uitgestapt  waarop de bestuurder verder reed. Zo ging het leven zijn gangetje. Tot op 2 mei 1949, toen reed de tram voor het laatst op dit traject.

De eerste elektrische tram reed op 2 augustus 1909. De stroom werd geleverd door de elektriciteitscentrale aan de Nieuwstraat in De Bilt. Tot die tijd reed eerst de paardentram en later de stoomtram. Vanaf 1903 stopte de tram niet langer op verzoek, maar bij vaste halteplaatsen. De dienst werd uitgevoerd door de Nederlandsche Spoorweg Maatschappij (NCS), in opdracht van de Nederlandsche Buurtspoorweg Maatschappij (NBM).  In 1929 nam de NBM de tramlijn over en werden de wagons in de bekende kleuren groen en wit geschilderd. In 1939 werd ook in de Dorpsstraat dubbelspoor aangelegd.

Intussen nam de hoeveelheid verkeer toe, met name op de hoek bij hotel Nas, waar de afslag naar de Soestdijkseweg erg nauw was door de beperkte ruimte tussen het hotel en de Houdringsevaart. De krant omschreef het dat hier  “de tram als een drol door de Dorpsstraat bewoog”. Mede daarom besloot de NBM in 1949 de tramdienst te vervangen door een busdienst. Er waren ook andere argumenten die meespeelden. Na de oorlog bleek het materiaal zo niet weggesleept door de bezetter, dan wel verouderd. Bovendien zag Rijkswaterstaat de trambaan midden op de Utrechtseweg graag verdwijnen. Op 2 augustus 1949 reed de laatste tram van Utrecht naar Zeist.

Een van de tramrijtuigen is nog te zien in het Spoorwegmuseum in Utrecht als blijvende herinnering aan 40 jaar elektrische tram in De Bilt.

WK

 

Literatuur:

J.W.H. Meijer: Kleine historie van De Bilt en Bilthoven, uitgeverij Reinders, Bunnik, 1995.

Historische Kring d’ Oude School De Bilt, Kennisbank.

Wikipedia: Tramlijn Utrecht-Zeist.