In 1803 werd Jan Dorresteyn wegens paardendiefstallen die hij pleegde in onder andere Blauwkapel en Westbroek veroordeeld tot geseling en brandmerking. Hierboven: Het brandmerk uit Utrecht. (Centraal Museum)

 

Meer informatie

Jan Dorresteyn had al een roerig verleden. Hij was geboren in Soestdijk en was op zijn zeventiende in militaire dienst gegaan. Nederland was toen de Bataafse Republiek, die een vazalstaat was van Frankrijk. Op zijn achttiende was hij gedeserteerd, maar daarna was hij opnieuw in dienst gegaan. Omdat hij opnieuw weggegaan was zonder verlof, had hij gevangenisstraf gekregen, maar na een half jaar was hij door een generaal pardon vrijgekomen.

Die vrijheid gebruikte hij niet voor een eerlijke broodwinning, maar voor het beroep van paardendief, zo schrijft het vonnis van het Hof van Utrecht. Zes keer had hij een paard gestolen, te beginnen op Hemelvaartsdag 1803 in Blauwkapel.  Dat was een zwarte ruin die hij stal van Jacob  Spelt. Hij reed erop naar Woudenberg, waar hij het dier verkocht. Daarna sloeg hij toe in Westbroek: een zwarte merrie van Bert Jacob Bakker. Opnieuw in Blauwkapel stal hij een hoofdstel, een toom en een zadel en toen ook maar een zwarte merrie erbij. Iedere keer verkocht hij zijn buit in een ander dorp.

Later stal hij in Leusden een zwarte ruin, die hij in Blauwkapel verkocht. En nog twee paarden: een zwarte merrie in Loosdrecht en een bruine merrie in Maarsbergen. Stal hij vooral donkere paarden omdat die in het donker mindere opvielen?

Bij de laatste diefstal werd hij gearresteerd. Het Hof van Utrecht, de hoogste rechtbank in het arrondissement, besliste dat hij met de dood zou moeten worden bestraft. Dat werd echter formeel door het Wetgevend Lichaam van het Bataafse Volk omgezet in een lagere straf, die het Hof dan weer mocht bepalen. Het parlement van de Bataafse Republiek wilde dus laten zien dat het genadig was.

Het Hof van Utrecht besloot toen om Jan Dorresteyn te veroordelen tot geseling met een roede en brandmerking. Dat moest gebeuren aan de galg en met een strop om zijn hals als teken dat hij zijn leven verbeurd had. Daarna werd hij zestien jaar lang tewerkgesteld in het werkhuis om vervolgens te worden verbannen uit de departementen Utrecht, Holland en Zeeland.

Aan dit vonnis kunnen we verschillende dingen zien. Dat het land nog agrarisch was, blijkt wel uit de vele andere diefstallen van vee. Men dacht nog niet in termen van een eenheidsstaat, want Jan werd slechts uit een deel van de departementen, de voormalige gewesten,  verbannen. De verlichte ideeën over straffen van de achttiende eeuw waren gedeeltelijk doorgedrongen: de doodstraf werd niet ten uitvoer gelegd. Maar de straffen waren nog hard en ouderwets zoals geseling en brandmerken. Die twee straffen werden in ons land pas in 1854 afgeschaft.

DAB

 

Literatuur:

Het Utrechts  Archief 239-1 Inventaris nr. 99-13 Register van criminele sententies van het Hof van Utrecht nr. 2921, rekest van 17-12-1803.

Rijksarchief Utrecht, Toegang 16 Criminele sententies, Utrecht 1998.