Afgebeeld is het wapen van de oeroude adellijke familie Van (den) Boetzelaer, een familie die een grote rol speelt en speelde in de lange geschiedenis van De Bilt en Maartensdijk.  (Wapenregister van de Nederlandse adel Hoge Raad van Adel 1814 – 2014). Het verhaal van deze familie gaat terug tot ver in de middeleeuwen. Op dit moment – december 2020 – komt de naam Van Boetzelaer meer dan zestig maal  voor op deze site. Naast de Van Boetzelaers zijn er ook andere voorname adellijke geslachten die hun stempel hebben gedrukt op de geschiedenis van één of meer Biltse kernen of die van Nederland. Als u meteen wilt beginnen met de rondleiding over de adel in en uit de kernen van de gemeente De Bilt. kunt u dat doen door HIER aan te klikken. U kunt dat echter ook doen na de inleiding hierna gelezen te hebben, aan het slot waarvan u dezelfde mogelijkheid wordt geboden.

 

 

Inleiding

 

Wat is adel eigenlijk, wanneer is een man of vrouw of een familie ‘edel’ en wat zijn de gevolgen als men tot de adel behoort? Het antwoord op deze vragen is afhankelijk van de tijd waarin men edelen tegenkomt. Doorgaans werd aan het begin van een adellijk geslacht de eerste drager van de naam  in de adelstand verheven, en de bij behorende titel door een vorst of koning verleend. Soms was dat echter niet zo, zoals in de vroege middeleeuwen. In dat geval bracht het ambt van een edele of zijn optreden als militair of ‘krijger’ in dienst van zijn  heer, haast als vanzelf’ adeldom mee.  Het uitoefenen van publiek gezag was in de middeleeuwen, in de nieuwe tijd tot in de negentiende eeuw, kenmerkend voor de bevoorrechte klasse die zich adellijk mocht noemen. Lang was deze tweede stand van ‘strijders’ uit  de middeleeuwen – naast de eerste, de geestelijkheid, en de derde, die van boeren en burgers – een gesloten groep. Men kon er alleen door geboorte bij horen. Deze ‘oude adel’ bewaakte de eigen gelederen streng: wie een adelstitel nastreefde die hem niet toekwam, moest buiten de deur gehouden worden. ‘Blauw bloed’ mocht niet vermengd worden met het bloed van niet-edelen.

Met name vanaf de zestiende en zeventiende eeuw wezen koningen en andere vorsten echter ‘nieuwe edelen’ aan. Een aantal daarvan wist de adellijke titel voor hun nageslacht erfelijk te maken. Deze nieuwe edelen maakten deel uit van de ‘ambtsadel’ die anders dan de oude adel hun functie dankten aan het opereren in de bureaucratie, op terreinen waar een adellijke titel gewenst of nodig was. Met de Franse Revolutie van 1789 kwam een definitief einde aan de rol van de adel als gesloten stand.

 

Er was alles overziend tot de negentiende eeuw dus een ‘oude’  en een ‘nieuwe’ adel. Daarnaast was er onderscheid tussen grote (‘hoge’) en minder gefortuneerde of gepositioneerde  (‘lage’) adel.

Evenals in de rest van Europa speelde de adel in Nederland een belangrijke rol, die echter kon verschillen per gewest. In de kooplieden-staat-in-de-staat die Holland vanaf de zestiende eeuw was, was de rol van edelen bijvoorbeeld niet groot, in het oude hertogdom Gelderland daarentegen des te belangrijker. Het was vooral de kaste van kooplieden-regenten die in de Republiek de lakens uitdeelde en niet die der edelen.

Koning Lodewijk Napoleon (1806-1810) erkende in Nederland de oude adel, terwijl hij tevens een ‘nieuwe’ in het leven riep. Daarna, in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden (1815) werd deze lijn voortgezet. Veel voormalige regenten uit de Republiek werden als nieuwe edelen met een patricische achtergrond in de adelstand verheven. Anderen – wier naam in het ‘Blauwe Boekje’ voor patriciërs voorkomt  (in onderscheid van het rode exemplaar van de adel – gingen door als lid van het patriciaat, als ‘notabelen’. Notabelen als deze waren betrokken bij de totstandkoming van de grondwet van het nieuwe koninkrijk der Nederlanden. Tot die notabelen behoorden ongetwijfeld ook het geslacht Van Ewijck van De Bilt en Oostbroek dat we – bij wijze van uitzondering in deze rondleiding  over de adel – als niet-adellijke familie opnemen.

Tot 1848 waren er politieke en maatschappelijke rechten verbonden aan de adellijke status. De adel koos leden van de Provinciale Staten die op hun beurt weer leden van de Tweede Kamer aanwezen.  De komst van de grondwet van 1848 maakte een einde aan het bestaan van de adel als aparte stand. Wat bleef, waren personen met een adellijke titel. Deze titels waren, oplopend in graad van belang: ridder, baron, burggraaf, graaf, markies, hertog en prins. Als men  een dergelijke titel als lid van adellijk geslacht niet erft, heet men jonkheer of jonkvrouw (termen die geen adellijke titel zijn.)

 

Hoe dan ook, al sinds meer dan anderhalve eeuw heeft de adel, noch in wetgeving, noch in formele maatschappelijke positie specifieke voorrechten. Dat wil niet zeggen dat dat de adel onbelangrijk was en is. Edelen waren in regering en parlement nog heel lang na 1848 oververtegenwoordigd en hadden in die kringen veel invloed.

In onze dagen komt er geen verheffing in de adelstand meer voor, met één uitzondering. Verheffing kan alleen gebeuren in het geval van (voormalige) leden van het Koninklijk Huis. Daarnaast komt het voor dat buitenlandse edelen ‘ingelijfd’ worden in de Nederlandse adel. Praktische consequenties heeft de adeldom voor betrokkenen vandaag de dag alleen nog voor het kunnen voeren van de adellijke naam en titel.

 

De adel was (zoals in het geval van de Van Boetzelaars) voor De Bilt en Maartensdijk in de negentiende en twintigste eeuw van groot belang. En is dat tot de dag van vandaag. In Westbroek en Achttienhoven speelden andere edelen van de ‘oude adel’ met namen als Van Borssele, Egmond, Sterkenburg en Tuyll van Serooskerken een grote rol. Ze traden op als heer of proost, met de bijbehorende maatschappelijke rechten, plichten en status. Soms speelde een lid van zo’n oude familie een belangrijke rol op nationaal niveau, zoals de Biltse Willem René baron van Tuyll van Serooskerken, die hielp de eerste grondwetten van Nederland ontwerpen. Een ander voorbeeld van een rol op het nationale toneel is die van Godert baron van der Capellen, bewoner van Vollenhoven ten tijde van koning Willem I. Hij was minister en gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië. Opvallend is ook de verschijning van een andere bewoner van Vollenhoven omstreeks 1800. Het gaat om Pieter baron de Smeth, een ‘baron des Russische Rijks’ die zijn titel erfde van zijn vader, die Catharina de Grote zeer van dienst was geweest.

 

Juist in De Bilt komen we veel leden van de ‘nieuwe adel’ tegen, bewoners van de vele buitenplaatsen van dat dorp. In Groenekan woonde in de negentiende eeuw  een nazaat van Amsterdamse kooplieden, Abraham baron Calkoen.

 

Al deze namen illustreren eenduidig hoe belangrijk de rol van de Biltse adel was.  Er was echter één familie die in het adellijke landschap van historisch De Bilt meer dan andere opvalt: het geslacht waar we mee begonnen: Van Boetzelaer. Als u een de rondleiding wilt gaan volgen kunt u HIER aanklikken.

 

AD