Tussen 1639 en 1678 had Maartensdijk vier schouten: Uijteneng (1639- 1654), Keerweer (1654-1674), Arton (1674-1675) en Roos (1675-1678). Van twee van hen zijn dubieuze financiële praktijken bekend, vooral van schout Willem Keerweer. Afbeelding: ‘De schout’, beeld van Pieter Xavery uit 1673. Museum de Lakenhal Leiden.]
Die praktijken kwamen aan het licht bij lezing van de besluiten van ‘afgevaardigden van de geërfden van Oostveen’, een orgaan binnen het gerecht Oostveen dat ging over de heffing van belastingen en over waterschapzaken. Op 21 april 1640 lezen we in de resoluties van deze instelling dat schout Uijteneng ‘verscheiden vacatien’ of onkostenvergoedingen gedeclareerd had die ‘bedenkelijk geacht konden worden’. Daarop werd besloten jaarlijks de boekhouding van de schout te controleren.
Van veel groter omvang was de affaire die in de jaren 1671-1673 speelde met betrekking tot Uijtenengs opvolger, Willem Keerweer. Om het volgende te begrijpen, is het nodig te weten, dat het schoutambt in de 17e en 18e eeuw gekocht werd. De schout kon met de hem toevertrouwde inning van de plaatselijke belastingen die investering terugverdienen. De schout liet die belastingen overigens doorgaans fysiek ophalen ophalen door een ‘gadermeester’.
In oktober 1671 werd in de resoluties van de geërfden genoteerd, dat schout Keerweer een bedrag van 8843 gulden claimde bij de geërfden bij de verrekening van afdrachten van een aantal voorgaande jaren. Het was een gigantisch bedrag, meer dan een miljoen euro’s in huidige koopkracht. De geërfden reageerden op de claim en stelden dat die op een aantal punten volstrekt ongefundeerd was. Op 20 november 1671 stelden ze een overeenkomst voor waarbij een vele duizenden guldens lager bedrag werd opgevoerd.
Daarna begonnen de moeilijkheden pas echt. Niet de schout was nu de eisende partij, maar de gecommitteerden van de geërfden. Op 25 maart 1672 las men in hun resoluties, dat het ze nog geld tegoed hadden uit 1663. Keerweer moest binnen acht dagen betalen of hij zou worden gegijzeld. Op 20 april 1672 werd vastgesteld dat schout Willem Keerweer in gebreke was gebleven bij het afdragen van door hem geïnde belastingen over 1669. Men verbood hem om verder nog belastingen te innen totdat hij financieel verantwoording had afgelegd.
Dat gebeurde kennelijk niet, want op 10 juni 1672 lezen we dat de schout op straffe van schorsing werd gemaand, binnen veertien dagen die verantwoording af te leggen. Uit de resoluties van 17 juni 1672 bleek, dat de schout inmiddels in gijzeling was genomen. Op 6 juli 1672 – midden in het Rampjaar, de Fransen hadden zich inmiddels in Oostveen gemeld – zat de schout nog vast en gaf aan niet de middelen te hebben om de verschuldigde gelden te voldoen. Op 28 oktober bleek Keerweer nog steeds vast te zitten. Op 14 december 1672 weigerden de geërfden Keerweer ‘tijdelijk uit zijn gijzeling te ontslaan’. Inmiddels was er een proces aangespannen en sleepte de zaak zich voort tot oktober 1673. Daarna wordt in de resoluties van de geërfden niet meer over de zaak gerept en verdwijnt Keerweer in de nevelen der geschiedenis.
AD
Bron: Regionaal Historisch Centrum, Inventaris van het archief van het gerecht Oostveen, 1639-1811, nr. 3 (kopieboeken van de resoluties van geërfden van Oostveen, 1639-1683, p. 10, p. 324-346) en nr. 5 (alfabetisch register op nr. 3, s.v. schouten.)