Rond 1900 werden in De Bilt nog altijd verhalen over tovenaars en heksen verteld. E. Heupers tekende voor het Meertens Instituut de verhalen op van Albert Pastunink (geboren 1876, timmerman) en Willem van Dijk (geboren 1889, bankwerker). Afbeelding: De heks aan het werk, houtsnede circa 1930. De prent laat zien hoe in volksverhalen over de heks werd gesproken.

 

Meer informatie

‘Ik weet nog dat ze bij de boer zelf karnden. Als het niet wou, dan zeiden ze steevast dat de karn betoverd was. Welk wijf zou er op de deel geweest zijn?: vrouw Emans of die van Strijker?’ Als eenvoudige mensen in  vroeger eeuwen niet wisten wat de oorzaak van een verschijnsel was, zochten ze die maar al te makkelijk bij tovenarij of hekserij. Mensen die konden toveren, werden nog in de negentiende eeuw heksen genoemd. Vooral alleenwonende vrouwen werden als heksen beschouwd.

Wanneer het over heksen ging, wees men in De Bilt rond 1900 vaak vrouw Strijker en vrouw Emans aan. Mevrouw Strijker was weduwe, maar men vertelde dat zij haar man had omgetoverd in een zwarte kater. Rond het huis van mevrouw Emans liepen altijd zwarte katten. Allemaal heksen, zo zei men in de familie van Albert Pastunink. Ze had volgens het verhaal ook een baby in de wieg betoverd zodat het kind erg ziek werd. Een buurvrouw tornde het kussentje open waar het kind op sliep en vond er een krans van veren in; dat was het bewijs. Dat verschijnsel wordt ook elders in het Sticht genoemd.

Op De Akker woonde de oude Stroef, die ook kon toveren, zo vertelde Willem van Dijk. Hij had de handigheid om muizen te maken en hij liet die beestjes over de tafel lopen. Verder kon hij bomen betoveren zodat ze dood gingen. Ook planken liet hij dood gaan; dat konden de mensen zelf vaststellen.

Tussen Utrecht en De Bilt woonde vrouw Groen. ‘Die kon toveren, ‘ zo zeiden ze. ‘Elke morgen kwamen er een stuk of wat melkboeren met hun hondenkar voorbij haar huisje. Nou, die honden moesten lopen, ‘juu’ ging het, en zo werden de honden opgehitst en dan liepen ze nog harder. Vrouw Groen kwam op een keer uit haar huisje net toen die hondenkarren met die kerels er aankwamen. Ineens stonden die honden stil en vielen die melkboeren met kar en al in de sloot. Dat deed vrouw Groen, die kon dat.

Ook uit de omringende dorpen werden dergelijke verhalen opgetekend. In Soest stond een man hout te hakken toen een dikke zwarte kat steeds maar langs en tussen zijn benen liep. Hij gaf de kat een harde schop met zijn klomp tegen haar kop. De volgende dag liep de buurvrouw met een doek om haar hoofd. En in Maartensdijk woonde de tovenares Jans Verkerk, vertelde men. Als ze langsliep, dan waarschuwde ze zelf de mensen dat ze hun kinderen binnen moesten halen; anders zou ze die betoveren. Ze betoverde ook bomen en rondom haar kleine huisje waren alle bomen doodgegaan.

Zo zien we dat rond 1900 het heksengeloof nog levendig was. In de zestiende en de zeventiende eeuw waren heksen gewoonlijk nog in verband gebracht met het vereren van de duivel of van kwade geesten. Intussen had het volksgeloof wel veel van die kwaadaardigheid verloren en de tijd van heksenprocessen was lang voorbij. Het lijkt of mensen zichzelf als heks wilden bestempelen. Het is niet uitgesloten dat deze opzienbarende verhalen vooral in de huiselijke kring aan kinderen werden verteld.

DAB

 

Literatuur:

G. Menalda, verhalen uit vervlogen tijden, in: De Biltse Grift juni 1992. Zij heeft verhalen opgetekend uit verschillende bronnen, met name:

E. Heupers, Volksverhalen uit Gooi- en Eemland en van de westelijke Veluwe, Amsterdam 1979.

Verder J.R.W. Sinninghe, Utrechtsch Sagenboek, Zutphen 1938.