Afgebeeld is een tekstgedeelte uit  het Diarium van Aernout van Buchel (1565-1641), in het Latijn Arnoldus Buchelius. [De plaat die men achter de titel ziet, stamt ook uit dit werk.] In dit befaamde manuscript uit de Utrechtse Schatkamer wordt op deze plaats uitgebreid aandacht besteed aan de rampen die de Biltse kloosters in 1528 troffen.

 

Meer informatie

 

Conservator Bart Jaski van de afdeling Bijzondere Collecties  van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek schrijft: ‘Buchelius was een Nederlands oudheidkundige en humanist, gespecialiseerd in genealogie en heraldiek. […] Aangezet door de sloop en vernielingen van gebouwen en kunstwerken na de Reformatie, begon hij in tekst en tekeningen bedreigde opschriften, grafzerken, wapenborden en andere opmerkelijke zaken vast te leggen. Hij stelde een aantal manuscripten samen die van onschatbare waarde zijn voor het onderzoek naar verdwenen gebouwen en inventarissen.’ Tot die manuscripten behoorden ook het reisdagboek of DiariumAls men deze link aanklikt kan men het manuscript met de afgebeelde tekst over de plundering van Oostbroek en Vrouwenklooster in 1528 lezen. (Het betreft het Diarium,  deel I, fol. 76r-77v (p. 158)). De tekst  luidt getranscribeerd:

 

‘[Floris van Egmond, heer van IJsselstein] is noch tot Utrecht gecomen met een groot heervolck tot Vrouwenclooster, ende heeft daer alsulcke scade ende scande den nonnen ende joffrouwen van den clooster laten doen, dat niet segbaer en is. Ende sijn daerenboven der joffrouwen relliquiën die sij hadden van den heyligen man St. Laurens, martelaer, hoor [hun] patroon, ontnomen. Die kistgens daer die inne waren, opengedaen, ende die relliquiën met voeten getreden, ende daermede geleeft als on-kerstenmenschen. In de heylige kerck hoer gevoech gedaen [gepoept], de glasen ontwee [aan tweeën] gesmeeten, de jofferen cleederen, huysraedt, cleynodiën, spijse, proviande ontnomen. Den dormiter [slaapzaal] geschent, bedden ontwee  gesneeden, veederen [de veren uit de slopen] uuytgedaen ende die met cooren gevult, de boecken uuytter kercken ende kelcken gestoolen. Dergelijcx hebben sij gedaen den broederen tot Vre[d]endael ende Oistbroeck, ende principael van des bischops gesinde. Ende wanneer de vrouwe ende andere jofferen den bisschop te voete vielen, biddende soo hij haren beschermer behorden te sijn, hierinne te willen remediëren [het onrecht herstellen], bij hem geantwoort is, dat hij se niet beschermen en coste.’

 

Al eerder besteedde Henrica van Erp aandacht aan deze kloosterverwoestingen, zie: de Heilig Grafkapel van Vrouwenklooster.

AD

Een afbeelding Nederland in de tijd van de Romeinen in het Diarium