In april 1889 stonden vier jongemannen uit Utrecht voor de rechter. Zij zouden op 8 februari gebruik hebben gemaakt van de brand die toen in het landhuis Beerschoten woedde, om geld en kostbaarheden uit het gebouw mee te nemen. Afbeelding: het landhuis voor de brand, een tekening uit 1868 van P.J. Lutgers. (Het Utrechts Archief)

 

Meer informatie

Samen met een vijfde kameraad waren de jongens te voet op weg geweest naar Harderwijk, waar ze dienst wilden nemen bij het koloniale leger. In De Bilt zagen ze dat Beerschoten in brand stond. Ondanks de aanwezigheid van een stoomspuit uit Utrecht zou het huis bijna helemaal uitbranden omdat de sterke wind het blussen moeilijk maakte. Omstanders wilden wel helpen om het huisraad in veiligheid te brengen en ook de jonge kerels hadden hulp geboden.

Het landgoed was sinds 1820 in het bezit van de familie Steengracht van Oostcapelle. Achteraf merkte jonkheer J. Steengracht dat hij een bedrag van ongeveer vijfhonderd gulden kwijt was. Hij schakelde de politie in.

Twee van de jongemannen kwamen  in beeld omdat ze bij een goudsmid in Amersfoort een gouden manchetknoop in bewaring hadden gegeven. De smid tipte de politie. Een derde knaap, in de pers aangeduid als B. v. L., had het doosje gevonden waarin twee manchetknopen zaten. Hij had ze wel willen teruggeven, beweerde hij, maar zijn vrienden hadden hem overtuigd dat hij ze moest verkopen. En die vrienden zeiden later met een stalen gezicht dat ze niet wisten waar de knopen vandaan kwamen. Ze hadden overigens wel valse namen gebruikt toen ze de knopen wilden verkopen.

Nog opvallender was het gedrag van hun makker A. van de Pol, die na de brand in Utrecht behoorlijk aan de zwier was gegaan. Getuigen hadden gezien dat hij wel zeven gouden tientjes had. Dat waren geen tientjes maar centen geweest, beweerde hij achteraf voor de rechtbank, die glommen doordat ze zo nieuw waren. En het geld dat hij nog in zijn bezit had, wel zevenenveertig gulden en vijftig cent, had hij met hard werken bij elkaar gespaard.

Maar al die andere uitgaven dan, die hij in Amsterdam gedaan had? Een fraaie paraplu, een zilveren horloge, een nieuwe hoed voor een vriendin… Het was allemaal contant betaald.

De rechtbank geloofde het niet. Op 15 april werd hij veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf. Van zijn vrienden kreeg er één zes maanden en de andere twee drie maanden. Beerschoten werd in 1890 en 1891 herbouwd.

Wat er bij de bouw gebeurde, leest u HIER.

DAB

 

Literatuur:

L. Haan-Beerends, Over brand op Beerschoten en hoe geld en goud in rook opgingen, in: De Biltse Grift maart 1996.