In 1815 vroeg het toenmalige departement van Oorlog aan de burgemeester van Westbroek en Achttienhoven om informatie te geven over deze gemeenten. (Utrechts Archief).

 

Meer informatie

Westbroek en Achttienhoven, luidde het antwoord, hadden samen 850-900 inwoners. Er was één kerk. Op de vraag hoeveel en hoe grote boerenbedrijven er waren, luidde het antwoord:

De grootste van 16 tot 24 koebeesten ongeveer  13. Van 10 tot 15 beesten 40. Van 3 tot 9  beesten 13. Van arbijders die 1 a 2 beesten, en  die geene beesten hebben, en in klijne  woningen en kamers huísen ongeveer 92  woningen.’

Er was ruimte om 300 militairen in te kwartieren en 70 legerpaarden te stallen. Westbroek en Achttienhoven hadden in 1815 twaalf ambachtslieden, waaronder twee timmerlui, een wagenmaker en twee smeden. Er stonden een ‘windkorenmolen’ en zeven ‘klijne pertikuliere molentjes.’ Als namen van polders en bedijkte gebieden werden opgegeven: Buitenweg, Binnenweg, Landen te Veenwaart, ‘zijnde sommige door publicque wegen en kadens van den anderen [van elkaar] gesepareert [gescheiden].’

De lengte en breedte van de wegen wordt in kwartieren en uren gaans,  roeden van ruim 3,5 meter en voeten van omstreeks 30 centimeter uitgedrukt:

‘[1] [Er is] een gepuynde weg [met puin verharde weg] na Maarseveen, `s zomers  goed, ‘s winters onderwater soms lang 1/4 uur; 

[2] na Zuylen 2/3 een gepuynde 1/3 innundatiekade lang 3/4 uur. 2/3 lengte 1 1/2 a 2 roeden,  breet 1/3 8 a 9 voet.

[3] De […] kade na de  Blauw Cape] l/2 weg gepuynde dijk 1 1/2 a 2  roeden breet, de andere helft innundatiekade 8  a 9 voeten breed, door en langs weylanden zeer  weynig bouwland van hier l uur.

[4] Van Utrecht  2/3 gepuynde dijk 1 1/2 a 2 roeden breed, 1/3  tot de Vegt 8 a 9 voeten, de innundatiekade. 

[5]  Na de Martensdijk 3/4 uur, een zandweg.

Er werden twee vaarten met een jaagpad genoemd: de Vaart op het Wester End en de Kerkeyndsevaart. De eerste had twee sluisdeuren, de tweede drie. Voor De Bilt klikke men de volgende links aan: De Bilt en Maartensdijk

AD