Vanaf de elfde eeuw werd het gebied ten noorden van Utrecht langzamerhand ontgonnen. Hierboven ziet men een detail van een kaart met percelen bij Westbroek van Jan Rutgersz van den Berch uit 1603. Op deze kaart is de blokverkaveling goed te zien (Collectie Utrechts Archief)

 

Meer informatie

Vanaf de late elfde eeuw werden van de kant van de Vecht en de Oude Rijn lange sloten gegraven min of meer loodrecht op de rivier. Via weteringen die dwars op deze sloten lagen, werd het water afgevoerd naar de rivieren. Deze weteringen werden met de helling van het terrein mee gegraven en kwamen op het laagste punt uit in de rivier. Zo maakte men de grond geschikt voor landbouw. De ontginningen vonden plaats per blok. Deze blokken wa­ren op hun beurt weer opgebouwd uit kavelsvan gemiddeld 6 voorling lang (circa 1250 meter) en circa 100 meter breed.

De blokken werden ontgonnen vanuit nederzettingen, geen echte dorpen, eerder een ver­zameling hutten, die gelegen waren aan de dwarsweteringen. Deze nederzettingen ver­huisden als het ware met de ontginningsbasis mee. De eerste ontginningsbasis heette de Hoofddijk of Ezelsdijk, die min of meer via de huidige Loevenhoutsedijk over de Kardinaal de Jong Weg naar het Fort De Bilt liep. Toen het stuk ten noorden van deze dijk ontgon­nen was, ontstond aan het eind langs de wetering die de ontginning afsloot, geleidelijk een nieuwe nederzetting. Vanuit deze nederzetting startte het volgende deel van de ontgin­ning, waar aan de volgende dwarsvaart weer een nieuwe nederzetting ontstond.

Zo’n nederzetting was Westbroek. De kavelsloten ten noorden van de Bisschopswetering bij de huidige Groenekanse­weg dateren uit de veertiende eeuw. Bij Achttienhoven werd in 1339 gesproken over een nieuwe weg en wetering die ten noorden van de `gemene’ weg zijn aangelegd. Vermoede­lijk gaat het om de Kooidijk die het nieuw ontgonnen blok vanaf de Gageldijk afsloot. De Nieuwe Wetering is rond 1350 gegraven. In 1463 werd besloten het gebied tussen Maartensdijk en Hollandsche Rading te ontginnen.  Toen was er kennelijk een dwarsdijk (de laatste), de basis waarlangs het dorp ontstond.

Pas in de zestiende eeuw bereikten de ontgin­ningen Hollandsche Rading en de Vuurse. De in cultuur gebrachte grond werd gebruikt voor de verbouw van haver en rogge waar­ mee ook de pacht en andere lasten betaald werden. Het graven van greppels leverde veen en dus turf op. Naarmate de ontginningen vorderden, verbe­terde de kwaliteit van het veen. Deze hogere kwaliteit en met name de groeiende vraag vergrootten het belang van de turfwinning.

AD

 

Literatuur:

Winter, Johanna Maria van; Buitelaar, A.L.P., Stad en veen in Utrecht, toegelicht aan de gerechten Oostveen en Herbertskop. In: Jaarboek Oud-Utrecht (1988)  9-34