Uit 1850 dateert een verontwaardigde brief van Jan Arend van Westreenen. Baron Calkoen had beweerd dat hij een stroper was en daar was hij heel boos over: Indien ik stroop dan ken ik het ook zeggen dat zijn Ed: het ook doet. Wie waren de betrokkenen in deze verwarrende ruzie? Afbeelding: Abraham III baron Calkoen door een anonieme tekenaar. (Nationaal Archief ’s Gravenhage)

 

Meer informatie

Jan Arend van Westreenen kwam uit een redelijk welvarende familie uit Amsterdam, waar hij in 1812 was geboren. Voor zijn gezondheid was hij naar het platteland verhuisd: Daarbij ik een gebrekkelijk mens ben dien 3 Ribben Ruggenstreng en mijn hoofdd en Herzenen van malkanderen heb gevallen, in den stad Amsterdam als kind zijnde, en voor mijn gezondheid naar buiten ben gegaan. Nu woonde híj in het huis De Babel aan de Nieuwe Weteringseweg, dat door de familie Maarschalkerweerd werd gepacht van de baron.

Abraham Calkoen had in 1774 het landgoed Voordaan gekocht. Zijn zoon en opvolger Abraham II was in 1849 overleden. Diens zoon Abraham III was veel zakelijker en afstandelijker dan zijn vader; hij woonde aan de Hamburgerstraat in Utrecht, waar hij aan de Rijksmunt de belangrijke functie van muntmeester vervulde. Dat hij iemand van stropen betichtte, kon bij de pachters tot onrust leiden.

Met wildstropen bedoelt men het vangen of doden van dieren op plaatsen waar dat niet is toegestaan. Stropers deden dat met ijzeren strikken, met honden of met een geweer. Veel boeren en landarbeiders vulden hun magere bestaan in de negentiende eeuw aan met jagen. Dat deden zij soms op het land van iemand anders, maar het kon ook voorkomen dat ze jaagden of vallen zetten op grond die ze zelf gepacht hadden terwijl het jachtrecht daar niet duidelijk was.

Jan van Westreenen zei dat hij onschuldig was:  Daar ik den onder geteekende, tot mijn Innig leedwezen van vrou Maarschalkerwaard vernomen hebbende dat zijn Ed: mijn voor een strooper uit maakt, daar bij moet ik ued: bekenne, dat ik daar zoo veel van weet als een kind dat eerst gebooren word.  Marie Maarschalkerweerd woonde ook in huis De Babel.

Jan beweerde dat hij binnenkort zou sterven: Zoo hoop ik den 30 Dezer maand januarij 1850 het dagligt nooijt meer te aanschouwen mag. Wilde hij morele druk op de baron uitoefenen? De schrijver van deze chaotische brief weest met een beschuldigende vinger naar Jaap Overheem, die overigens net als hij in de Babel woonde. De daden van die booswicht moest de baron maar eens goed onderzoeken!

Een antwoord van de baron is niet bekend, maar in de loop  van 1850 verhuisden de bewoners: Marie en Jan Arend naar Blauwkapel en Jaap van Overheem naar elders. Waarschijnlijk was de pacht opgezegd.

DAB

 

Literatuur:

W. van Schaik, De baron en de stroper, in: De Biltse Grift september 2007.