In het Rampjaar en in 1673  hield de Utrechtse regent Everard Booth een dagboek bij. Het biedt een mooi inzicht in het effect van de oorlog op de dorpsbevolking. De boeren van Westbroek en de andere inwoners van het dorp ondervonden de gevolgen aan den lijve. Afgebeeld is een prent van Adriaen van de Velde uit 1669 ‘Plunderende soldaten bij een boerenwoning’. (Rijksmuseum Amsterdam.)

 

Meer informatie

Elders op deze site leest men meer over deze ‘Tweede Slag bij Westbroek’ uit 1673 (de eerste was in 1481). Daarvoor zie men bijvoorbeeld de post Oorlogsgeweld in Westbroek: de gevolgen van het Rampjaar (1672/3.) 

Het dagboek van Booth geeft niet alleen aandacht aan dit gewelddadige treffen, maar gaat ook in op de schadelijke economische gevolgen van de Franse bezetting voor het dorp. De troepen leefden vaak ten koste van de boerenbevolking;  hooi van Westbroeks land werd weggehaald en naar Utrechts kerken gebracht om de paarden van de cavalerie te voederen. De Fransen dreigden om niet te betalen als de boeren weigerden mee te werken. Booth schreef op 2 november 1672:

de Fransche hebben ’t sedert twee dagen het hoy beginnen te halen uyt Tienhoven, sij maken staet  [rekenen erop] aldaer wel te sullen bekomen over de 5000 voeder [karrevrachten]; uyt Westbroek hebben sij gehaelt 3000 voeder. Sij leggen dit hoy in de Nicolai[kerk], Duytsche huys ende Bagijnekerken [in Utrecht].

Op 24 november 1672 beschreef Booth zowel de afpersing van de Westbroekse boeren als het opvallende gedrag van de agrariërs in het dorp. Die weigerden mee te werken aan de uitvoering van de Franse eisen, maar leden volgens hem toen  bepaald niet onder het Franse juk.

Het hoy van Westbroek is desen dag door een groote mennigte gepreste [gevorderde] boerenwagens van alle dorpen […]  hier in [Utrecht] begost [begonnen] gebraght te werden. Enige officiren waren enige dagen te voren tot Westbroek geweest, om het hoy van de boeren te kopen, ende hadden haer al 2 rijxdalers voor het voeder [per karrevracht] geboden, ook [hadden ze] gewaerschout: sij souden [moesten] dit geld aennemen, want anders daerna niets daervoor souden hebben [zou het hooi niet betaald worden]. [De Westbroekse dominee] […] Domburg ried haer [de boeren] hetselve [het aannemen van het Franse aanbod] seer aen, doch te vergeefs. Onder dese Westbroeksche boeren sijn veele, ja de meeste part van sulken vuylen humeur [zo gemeen], dat als imand van haer een voeder hoy ontstolen is, dien boer niet rusten sal of sijn buurluyden hebben deselve schade mede geleden, al soude hij de Fransche selfs daertoe [moeten] versoeken [om die toe te brengen]. Ook hadden de boeren bij haerselven voorgenomen, niet een stuyver dit jaer van haer pacht te betalen, sij seyden hetselve opentlijk tegen den predikant, niettegenstaende sij niet alleen geen de minste schade van de Fransche hadden geleden, maer dat ook bewesen kost [kon] worden, dat [zij] daerbij hadden geprofiteert, door het so veel duerder verkopen van haer suyvel ende karnemelk.’=

Op 2 februari 1673 lijkt de belangrijkse veldheer van Lodewijk XIV naar het dorp gereden te zijn. We lezen bij Booth:

Den hartog van Luxemborgh is met de ruyterye tegen den avond de [Utrechtse] Weerdpoort uytgereden […]. Men heeft namaels verstaen dat het was omdat tot Westbroek de klok luyde, dat men meynde om het princenvolk [troepen van stadhouder Willem III] was [zou gaan], daer ondertusschen imand begraven wierd bij de boeren: Hoc ex [dit althans volgens]  Domburgio [de Westbroekse predikant Domburg.]

Op 21 februari 1673 bericht Booth expliciet over Franse wandaden:

[Nu] is de gansche ruyterye dragonders ende jongens van de officiers [vanuit Utrecht], te voet ende te paerd besig te voerageren tot Westbroek: hoe sij daer nu huys gehouden hebben, sal men vernemen, althans melkemmers ende andre dingen meer broghten sij tegen den avond [uit Westbroek] binnen teffens met de voerage.

Op 28 mei 1673 vertelt Booth over de volgens hem mislukte actie van de Nederlandse troepen  bij het dorp in de voorafgaande nacht (uigebreider bescheven in de hiervoor genoemde post ‘Oorlogsgeweld in Westbroek’). Hij noemt daarbij een paar details die in andere bronnen niet voorkomen. Er lag volgens hem een  eenheid van 50 Fransen in het dorp, die de 400 karrenpaarden van de Fransen moest bewaken. De Staatse officier was een zekere kapitein Molk.  Er zouden volgens Booth aan de kant van de Staatsen één dode en één gewonde zijn gevallen, aan Franse kant vier doden en acht gewonden. Deze cijfers wijken af van die van een andere bron: het Vervolg van ’t Verwerd Europa. Daarin wordt gesproken over een eenheid van 90 Fransen, die bijna allemaal in het stof gebeten zouden hebben,  en vijf doden en twee gewonden aan Staatse zijde. De troepen van de stadhouder zouden volgens het Vervolg rijke buit behaald hebben. Booth schreef:

Des nachts is een parthije van het princenvolk [troepen van Willem III], onder het commando van capitain Molk, gekomen tot Westbroek, om aldaer te overvallen de 50 Franschen tot guarnisoen dienende van over de 400 karpaerden, die aldaer om te grasen waren. Het gevecht duurde ontrent een quartier uurs, het princenvolk is doen weder voortgetrocken, achterlatende een doden venrich [vaandrig] ende een gequetst soldaet, doch sij hebben één kar-paerd bekomen: van de Fransche sijnder gebleven 4 soldaten ende 8 gequest. Meer over het Rampjaar en het jaar 1673 en Westbroek kan men lezen door DEZE LINK aan te klikken.

AD

Bron: ‘Dagelijksche aanteekeningen gedurende het verblijf der Franschen te Utrecht in 1672 en 1673, gehouden door Mr. Everard Booth, Raad-Ordinaris in den Hove Provintiaal van Utrecht en Oud-Raad ter Admiraliteyt.  Uit de papieren van Booth medegedeeld door Mr. J.A. Grothe’. In: Berigten van het Historische Gezelschap te Utrecht, VI (Utrecht 1857).