Afgebeeld is het is een prent van Romeyn de Hooghe over wreedheden op een boerderij (Rijksmuseum Amsterdam). Die werden zeker door de Fransen begaan in het Rampjaar 1672 in Westbroek. In 2022 zal ook het Onlinemuseum De Bilt herdenken, dat deze ingrijpende oorlog met Frankrijk drie-en-een-halve eeuw geleden plaats vond.

Meer informatie

De genoemde Franse acties in Westbroek staan beschreven in het in 1688 in Amsterdam verschenen Vervolg van ’t Verwerd Europa, een belangrijke bron voor de geschiedenis van het Rampjaar  en de oorlog tussen de Republiek enerzijds en Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen anderzijds. Het voortbestaan van ons land stond op het spel en werd uiteindelijk bevochten door Willem III en admiraal De Ruyter. De gevolgen merkte men dus ook in Westbroek. Voor de tweede keer, na de Slag bij Westbroek van 1481, werd het dorp door oorlogsgeweld getroffen.

De diplomaat Petrus Valkenier (1638/41-1712) schrijft over de gevolgen van de verwoestende oorlog voor Westbroek. In mei 1673 hielden de Fransen vreselijk huis bij de Vecht en breidden vanaf daar hun rooftochten uit naar het gebied van Maartensdijk. Daar werd hevig gevochten met de troepen van prins Willem III:

Bij Breukelen kwamen wel 3.000 Fransen bijeen , welke allerlei  krijgs[uit]rustingen, onder ’t commando van de graaf Doucam [een hoge Franse officier] met zich mee voerden. Ze  trokken langs de weg van St. Maartensdam [Maartensdijk] wel met 80 karren met levensmiddelen en andere benodigdheden naar Westbroek. Een gedeelte van hun leger werd naar Hilversum [gestuurd] met 8 à 10 stukken geschut, veel wagens en karren met kruit, lont, lood, stormladders, schoppen, spaden, bijlen en soortgelijke benodigdheden om oorlog te voeren, onder ’t commando van de [Franse bevelhebbers de] hertog van  Luxemburg en de hertog van Enghien. […]’

Kort hierna zijn omtrent 100 man [Hollandse troepen] in sloepen en roeischuiten van Nieuwersluis afgevaren en kozen hun weg achter Breukelen en Westbroek om, waar de Fransen verscheidene borstweringen hadden opgeworpen en de Hollanders een slapende schildwacht aantroffen, die ze  doodden, en waarna ze zonder enig gerucht of alarm te maken, omtrent 90 man van de vijand overvielen, die zij ook bijna allemaal in het stof deden bijten. Ze [de Hollanders] hebben zich met rijke, buit door plundering verkregen weer naar Nieuwersluis begeven, met achterlating van vijf doden en twee gewonden. […]’

 

Verderop leest men over de gebeurtenissen later in het jaar 1673:

 

Binnen Westbroek hadden ze [de Fransen] wat militairen te voet en te paard  gelegerd. Ze begonnen, afgezien van het bier, brood en vlees dat de boeren hen al hadden moeten geven, toen met plunderen. Ze beroofden zelfs de kerk, vernielden het orgel, staken de stoelen en banken in brand, namen de Bijbel en psalmboeken weg, braken de diaconiekamer open en de armenkist, en namen alles wat hen aanstond mee. Ook sloopten ze verscheidene huizen en behandelden ze de inwoners heel slecht. Alles wat op het veld stond, maaiden ze af of lieten ze door hun paarden vertrappen. Daarna begonnen ze met het opwerpen van verscheidene verdedigingswerken en batterijen, waaraan de boeren zelf  moesten meewerken, want anders, dreigden de Fransen, zouden ze het hele dorp in brand steken. […]’

In de maand september 1673 plunderden de bezettingstroepen [van de Fransen in Utrecht] veel omliggende dorpen, waaronder heel veel die tot hun eigen gebied behoorden, zoals Westbroek, Tienhoven, Maartensdijk en andere plaatsen. Ze traden zo onmenselijk op tegen de arme plattelandsbewoners  dat ook de Staten van Utrecht zich genoodzaakt zagen, daarover bij de hertog van Luxemburg hun beklag te doen.

 

©  Anne Doedens/onlinemuseumdebilt.nl