In 1800 werd Herman van Rhenen uit Blauwkapel in het gerecht Oostveen (Maartensdijk) veroordeeld tot geseling. Zijn misdaad: diefstal van landbouwproducten. Hierboven: de zetel van het gerecht dat hem veroordeelde, het Provinciale Hof van Utrecht, in de voormalige Paulusabdij. (Tekening J. de Beijer 1744 het Utrechts Archief)

 

Meer informatie

Het was een harde tijd met barbaarse straffen. De oude Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was in 1795 vervangen door de Bataafsche Republiek, maar de strafwetgeving was nog niet gemoderniseerd. De bestraffing van Herman (Hermanus) van Rhenen moest een voorbeeld zijn voor anderen.

Herman was toen ongeveer veertig jaar oud; men wist niet precies wanneer hij geboren was. Zeven jaar tevoren had hij een poosje als knecht ingewoond bij Willem Timmer in Den Dolder. Daar had hij van het veld zes of zeven keer een bijenkorf meegenomen. Ook had hij een schaap uit de kudde van Willem verruild voor een schaap dat minder waard was. Willem Timmer had hem ontslagen en had hem gewaarschuwd dat hij dit soort dingen beter niet nog een keer kon doen.

Toch had Herman daarna knollen en aardappels van het land weggepakt. Hij had sparren uit het bos van burger Oudenaller gehaald en ander hout uit het bos van Valentijn Weber om zijn huisje mee op te knappen. En appels uit de boomgaarden uit de buurt.

Het hof van justitie liet hem oppakken en opsluiten in de gevangenis in het huis Hazenberg in Utrecht. Op 18 januari 1800 veroordeelde het hem om te worden gebracht naar ‘de plaats waar men de criminele justitie uitvoerde’ (het Paardenveld), waar hij met roeden streng moest worden gegeseld. Daarna werd hij voor zes jaar verbannen uit de steden en landen van het voormalige gewest Utrecht en ook uit de gebieden van Holland, Zeeland en West-Friesland. Het is opvallend dat de federatieve opbouw van de oude republiek nog doorwerkte: in andere gewesten van het land mocht hij wel komen.

Onder de rechters zien we Maurits Jacob Eyck, de Fransgezinde eigenaar van Eyckenstein, die in 1811 burgemeester van Maartensdijk zou worden.

DAB

 

Literatuur:

Het Utrechts  Archief 239-1 Inventaris nr. 99-13 Register van criminele sententies van het Hof van Utrecht nr. 2847, rekest van 18-01-100 p. 364-372.