Meer dan 180 jaar geleden verscheen een toeristische reisgids ‘Landelijk schoon in het Sticht van Utrecht en in deszelfs omstreken’ (Utrecht 1836). De schrijver B. Christemeijer stak de loftrompet op Maartensdijk.

 

Meer informatie

[Van Den Dolder uit komt men op een weg die] in eene westelijke rigting, meestal tusschen de bosschen door, op het een half uur van hier gelegene Maartensdijk uitloopt, en nabij dit dorp met schoone, hoog op gaande eiken en beuken is beplant. Gij zoudt […] zoo door het belangrijke dorp Maartensdijk, over den Tolakker naar Utrecht rijden, doch daar het rijdspoor nu meerendeels, nog door zwaar zand ligt en de weg, waarschijnlijk eerst in een volgend jaar van aanleg zal verbeterd worden, rade ik u nu liefst, in het terug keeren den straatweg te houden, en zoo uwe tehuisreis door de Prinsenlaan over de Bilt te nemen.’ ‘[…] bij den tolboom aan den ingang van Maartensdijk […]  begeven wij ons in de herberg de Tolakker, die daar vlak voor ons ligt, om, in een der voorvertrekken van het huis, onder het genot van het fraaije landgezigt [in de richting van Utrecht] en het stomen van eene gezellige pijp [te discussiëren over de wegen die daar samenkomen].

[…] Eenigzins zijdwaarts achter de kerk, welke wij daar voorbijgingen, ligt de pastorij, in vroegeren tijd, door onzen geachten Hoogleeraar Van der Palm wiens eerste standplaats als Predikant hier was, bewoond, en toen zeker meermalen bezocht door ’s mans letter- en akademie-vrienden, Ockerse, Rau, Klein, Bellamij en Hinlopen. Hoe vele genoegelijke en leerrijke uren zullen dáár, in den kring dier geachte letterkundigen, gesleten zijn! Aldra komen wij aan het landgoed Beukenrijk, door Jonkheer J. L. Van Panhuijs bewoond, en in de de laatste jaren geheel van aanleg vernieuwd. Hoe teekenachtig ligt niet de opene partij dáár op den voorgrond der plaats, met die beschaduwde beek, welke tusschen bloem- en grasperk en groepjes plantsoen heen kronkelt; eene treffelijke uitwerking maakt, meer naar achter, dat boschachtig verschiet, vooral wanneer de avondzon door het digte geboomte schijnt, en haar goud achtig purper, door den weêrglans van het groene loof getemperd, een tooverachtig licht over de beek en het bloemperk op den voorgrond verspreidt […]

Met vermaak bezigtigen wij, in het voorbijgaan, den schoonen aanleg voor het huis van Rustenburg, en de landelijke ligging van het buitengoed Berkenstein, door den Heer M. Vollenhoven bewoond, inzonderheid trekt het huis van Eijckenstein met het lommerrijke perk daar voor onze aandacht tot zich ; verrassend is, voor de eerste maal vooral, de aanblik van dit slot, waaraan de prachtige voorgevel met deszelfs kolonnade en zijdvleugels een vorstelijk aanzien geeft; niemand vermoedt voorzeker, aan het uit einde van Maartensdijk, hetwelk te voren nog meer afgelegen was, dan wel nu, nadat de weg verbeterd is, een gebouw in zulk een grootschen stijl te zullen aantreffen.

AD