In 1953 werd eindelijk de laatste belangrijke tol in Nederland opgeheven: de tol bij Maartensdijk. Benadeelden hadden zeventig jaar tegen de heffing geprotesteerd. Afgebeeld is de Tolakkerweg met tolboom te Maartensdijk met links het tolhuis omstreeks 1910 (Collectie Utrechts Archief).

 

Meer informatie

Aanleg en beheer van wat nu de Tolakkerweg heet, stammen uit de vroege negentiende eeuw en waren een particuliere aangelegenheid. Op 15 mei 1825 kregen jonkheer Jan de Rovere van Breugel en F.C. Muysken van wegen- en  kanalenbouwer koning Willem l het recht om tol te heffen voor de weg van Utrecht via  Blauwkapel en Maartensdijk naar Den Dolder, met een aftakking over de Tolakkersteeg naar de Rading. De te innen tollen moesten dienen om de bestrating van deze weg te  bekostigen.

Die bestrating kwam er inderdaad. Daarvoor moest wel eerst in 1828 een lening van  65.000 gulden worden uitgeschreven. Het eigenlijke werk begon in 1833. Alleen  al in de periode april 1834 tot eind 1835 werd bijna 11.500 kubieke meter puin voor de onderlaag  aangebracht. Er werden ruim 700.000 klinkers gelegd. De twee tolhuizen werden voor  bijna vierduizend gulden elk neergezet. (Aan het eind van de twintigste eeuw verkocht de toenmalige gemeente Maartensdijk het  tolhuis op het kruispunt bij het voormalige gemeentehuis voor 100.000 gulden.) Er waren dagen, dat zo’n  vijftig mensen tegelijk met al dit ambachtelijke handwerk bezig waren. In 1836 was de  weg klaar. Het verkeer kon nu komen.

En het kwam, zij het in hoeveelheden die niet te  vergelijken zijn met de tienduizenden voertuigen die nu op de A27 per dag rijden of  stilstaan. Gemiddeld reden er anderhalve eeuw geleden per jaar nog geen 10.000 zware  karren en boerenwagens over de weg. De weg bleef tot diep in de negentiende eeuw in  particuliere handen. En die handen zorgden er lang voor dat de weg onderhouden bleef. Dat was zo duur, dat het rendement gering was. Dat kwam ook doordat de slijtage aan de  weg door het zware militaire verkeer van en naar de forten, groot was.

De gemeente grijpt in

Uiteindelijk gaf het openbaar vervoer deze particuliere tolweg de doodssteek. Door de komst  van de spoorweg Hilversum-Utrecht in 1873/4, met zijn vele haltes in de voormalige gemeente Maartensdijk,  daalde de opbrengst van de tollen met 45%. Het onderhoud ging achteruit, en de  gemeente nam een slecht renderende weg over om de concurrentie aan te gaan met goed  renderend openbaar vervoer (de trein). Geld dat daarvoor nodig was werd gegenereerd door tolheffing.

Er waren twee punten waar de gemeente tol hief: één bij Blaucapel en één bij het gemeentehuis van Maartensdijk. Daar liep de belangrijke weg van Utrecht naar Hilversum, die door de gemeente moest worden onderhouden. Het Rijk en de provincie Utrecht weigerden die taak op zich te nemen. Voor het onderhoud had Maartensdijk de tol nodig.

Protest en afschaffing

Al vanaf 1881 klaagden gebruikers over de kosten en vanaf 1922, toen de kosten weer eens verhoogd werden, voerden zij ook actie. Vooral inwoners van Hilversum en Het Gooi dreigden met ‘tolbestormingen’ en een enkele keer probeerden zij met auto’s de weg te blokkeren. Het liep iedere keer met een sisser af, maar er was wel veel aandacht in de pers. Een dergelijke belemmering van het vrije verkeer was toch uit de tijd!

Pas in 1953 was het gemeentebestuur bereid om de tol op te heffen, maar pas nadat er een schadevergoeding was betaald en het onderhoud door de Staat werd gefinancierd. De tol hield op te bestaan op 1 april om 11 uur.

AD

Op Youtube kan men een film over de tol van Maartensdijk en het einde ervan bekijken: https://www.youtube.com/watch?v=achGIfpMuKE

Litt.: Anne Doedens, ‘Oud Maartensdijk belicht’.  Een kleine plaats en een groot werk. In Stichtse Post, 4 februari 1986. Ook: Leo Fijen, Veertig jaar geleden afschaffing van landelijk fenomeen. Eindeloze twist om Maartensdijkse tol, In: St. Maerten nr. 11 (december 1993) 3-9.  In St. Maerten, nr. 56 (mei 2019) 3-13  vindt men twee artikelen:  ‘Tolheffing in Maartensdijk bij Koninklijk Besluit’ en:  ‘het was niet alles animositeit rond die tollen.’.

Voorts: St. Maerten, nr. 30a (september 2005).