In 1836 publiceerde J.B. Christemeijer een boekje met een wandeling door het Sticht Utrecht. Daarin schreef hij uitgebreid over de Soestdijkseweg en over de landhuizen die hij tegenkwam.  Afbeelding: de titelpagina met een prent van ‘het vorstelijk lustslot te Soestdijk’.

 

Meer informatie

J.B. (Jan Bastijaan) Christemeijer (1794 – 1872) was in de negentiende eeuw een populaire schrijver. Hij was een trouwe Organisten hij beschreef tegen het einde van zijn leven in drie publicaties  in een boek hoe hij als cavalerist had meegevochten in de slagen bij Quatre-Bras en Waterloo. Op dat moment moet hij ongeveer 18 jaar zijn geweest. In de burgermaatschappij werkte hij eerst als klerk op een notariskantoor in de stad Utrecht en later als ambtenaar bij de provincie.

Hij schreef gedichten en een enkel horrorverhaal en bijdragen over misdaad en straf. Men noemt hem wel onze eerste misdaadschrijver. Opmerkelijk zijn twee boekjes waarin hij uitgebreider dan anderen schreef over wandelingen via De Bilt en Maartensdijk. Landelijk schoon in het Sticht van Utrecht en in deszelfs omstreken verscheen in 1836 uitgever J.G. van Terveen en zoon. Daarin beschreef Christemeijer een wandeling van Utrecht naar het Gooi.

De auteur kwam langs de bevallige buitenplaatsen Vrijheidslust en Arenberg en langs de Biltse korenmolen en het huis van de molenaar. Een ander gevoel nogtans, dan enkel van welgevallen, verwekt de aanblik, welken men heeft, als men aan de buitenplaats Sandwijk, van den heer W.J. Both Hendriksen, gekomen zijnde, van den kant van het huis, de daartegen over liggende akkers en velden aanschouwt. Men ziet dan, in den tijd, als de boekweit bloeit, over een uitgestrekt veld, met dat edel gewas bezaaid, welks liefelijk wit, door de zon verlicht, een nog behaaglijker tint aanneemt tegen het groen der bossaadjes, die, in de verte, boven het gezaaide uitsteken. Wit bloeiend boekweit dus op de plek waar nu het van Boetzelaerpark is. Terloops noemde Christemeijer het duivenhuis, dat volgens hem in de stijl van een gotische kapel gebouwd was.

De wandelaar kwam langs het buitenhuis Het Klooster en langs de dorpskerk. Toen sloeg hij de Soestdijkseweg in, die toen nog Prinsenweg werd genoemd. Zóó eene wijl onder het lommer van eiken- en populieren voortrijdende, bevinden wij ons aldra in eene heerlijke beukendreef. Dit is de oude Prinsenlaan, welke naam waarschijnlijk vandaar ontleend is, omdat deze weg, vanouds, naar het vorstelijk jagtslot Soestdijk geleidde, en dus, door de Prinsen Erfstadhouders, bij hun bezoek van dit slot, bereden werd.

De auteur liet zich verleiden om een paar romantische gedichten van tijdgenoten op te nemen, waarin zowel de natuur als de schepper geprezen werden. Na Jagtlust volgden de woeste gronden. Over dit einde wegs’ – het minst aangename van dezen togt – biedt de landstreek ter wederzijde, het oog weinig bevalligs aan; alleenlijk heeft men links van zich het vergezigt op de bosschen, en op zekere hoogte ook op het huis, van Eijckenstein; terwijl, regts, het oog over het eentoonige vlak der heide zwerft, of tegen het wit van eenige, verspreid liggende, zandduinen stuit.

Een jaar later zou Christemeijer een vergelijkbaar boekje schrijven over een wandeling langs de Utrechtseweg, waarin hij nog uitvoeriger over De Bilt zou berichten: Het lustoord tusschen Amstel en Grebbe.

DAB

 

Literatuur:

J.B. Christemeijer, Landelijk schoon in het Sticht van Utrecht en in deszelfs omstreken 1836 uitgeverij J.G. van Terveen en zoon.

A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden, Bijvoegsel 1878.

G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse, De Nederlandse en Vlaamse auteurs, 1985.