De Nederlander Joan Gideon Loten (1710-1789) werd in Groenekan bij Utrecht geboren uit een patricisch geslacht. Hij was lid van de beroemde Royal Society en een fameus sterrenkundige enverzamelaar, onderzoeker van de dieren- en plantenwereld. In Westminster Abbey staat een gedenkmonument voor hem, dat hier is afgebeeld. Het is het werk van Thomas Banks.

 

Meer informatie

Loten bracht een groot deel van zijn leven door in de Nederlandse koloniën en maakte carrière bij de VOC op Java, Celebes en als gouverneur op Ceylon. Hij bracht een collectie tekeningen en aquarellen bij elkaar waarop vogels, zoogdieren, insecten en planten uit Azië natuurgetrouw waren afgebeeld.

In 1758 kwam hij als een vermogend man terug naar Nederland. Hij was de stad Utrecht echter ontgroeid en voelde zich onder de regenten en aristocraten niet op zijn plaats. Over Utrecht en zijn familie beklaagde Loten zich: Ik mag mezelf niet rustig amuseren met de verschijnselen van Hemel en Aarde.

Loten vond het sociale klimaat in Londen interessanter en voelde zich meer op zijn gemak bij de heren van het British Museum en de Royal Society dan bij de standsbewuste Nederlandse regenten en aristocraten. In Engeland werd hij gewaardeerd voor zijn verdiensten. Zijn collectie tekeningen en aquarellen werd gebruikt en gekopieerd door Engelse natuuronderzoekers en door de Zweed Linnaeus. Van 1759 tot 1781 woonde Loten in Londen.

De laatste jaren van zijn leven woonde Loten in zijn huis aan de Drift in Utrecht. Daar maakte hij de onlusten van de patriottentijd mee, waarin zijn broer Arnout een rol speelde als orangistisch burgemeester van Utrecht. Loten was niet te vergelijken met het genie Christiaan Huygens (1629-1695), maar groot genoeg om even als deze lid te worden van de genoemde Royal Society, waar ook Newton toe behoorde. Hieronder ziet men de ‘Coat of Arms’ die de Engelse koning George III Loten toekende. (Coll. Utrechts Archief.)

AD

Literatuur:

J.P. Raat, The Life of Governor Joan Gideon Loten (1710-1789). A personal history of a Dutch virtuoso. (Diss. Utrecht 2010.)