De vaste grond begint bij De Bilt, moet Lodewijk Napoleon gezegd hebben. Deze eerste koning van Nederland (officieel van het koninkrijk ‘Holland’) was hier door zijn hooggeplaatste broer in 1806 aangesteld. In 1810 werd hij aan de dijk gezet omdat hij het belang van Nederland boven het Franse belang zou hebben geplaatst en Nederland werd door Napoleon ingelijfd bij Frankrijk.

Tijdens zijn koningschap reisde Lodewijk Napoleon geregeld van Den Haag naar zijn paleis Het Loo en dan kwam hij door De Bilt. Hij kende het dorp waarschijnlijk al van zijn verblijf in Utrecht. Het viel hem op dat het landschap daar veranderde van groene weilanden met water in iets geheel anders: bouwland, bossen en (zeer bescheiden) bergen, afgewisseld met een enkel heideveld.

Op de afbeelding zien we de koning op reis, hier op de Dalemse Dijk. Het is een ets van Reinier Vinkeles naar Hermanus Numan uit 1809

Deze zelfde constatering deed W.H. de Beaufort in 1882, zoals uit onderstaand fragment blijkt:

‘La terre ferme commence au Bilt,’ placht – naar men verhaalt – koning Lodewijk uit te roepen als hij de reis van ’s Gravenhage naar het Loo maakte. Eerst bij dit kleine dorp, een half uur ten oosten van Utrecht gelegen, kreeg zijn oog iets anders te zien, dan de groene weilanden, drijvende als het ware op de boordevolle sloten, waarin hij onmogelijk vast land kon erkennen. Trouwens elken reiziger, die uit Holland komend, zich per spoor in de richting van Zwolle of Arnhem beweegt, zal, ook thans nog, deze overgang treffen. Wanneer hij door de tuinen en warmoezerijen, die de stad Utrecht omringen, is heen gestoomd, vindt hij een veranderd landschap. De eentonig groene kleur is gebroken, het weiland wordt

afgewisseld en welhaast geheel verdrongen door bouwland. In plaats der knotwilgen, hangend over de kaarsrechte weteringen, vertoont zich een statiger boomgewas, dat zijne breede schaduwen over de gelende tarwe werpt. Naarmate de rijzende bodem het water zeldzamer doet worden, neemt ook de weligheid van den plantengroei af, en de dennen die zich van lieverlede beginnen te vertoonen, verkondigen welhaast dat men de hooge, onvruchtbare zandgronden bereikt heeft. Nu wisselen zich, op een min of meer golvenden bodem, de door breede eikenwallen omzoomde boekweitakkers en de donkergroene dennenbosschen af, terwijl het oog, tusschen dit alles, gedurig op groote vlakten kan rusten, met alleenstaand struikgewas hier en daar begroeid, die voor de eentonigheid der roodbruine kleur, welke zij in den regel vertoonen, ruimschoots schadeloos worden gesteld, wanneer de nazomer hen gedurende eenige weken met een purperen feestkleed komt tooien.

Iedereen kent het bevallige plantje, dat aan deze vlakten hun eigenaardig aanzien geeft, zooal niet bij zijn wetenschappelijken naam van Calumna vulgaris, dan toch bij den hollandschen van heidekruid.

Literatuur:

Willem Hendrik de Beaufort, De woeste gronden in Nederland, in: De Gids, Jaargang 46 (1882).