In een oud Utrechts vonnissenboek dat bekend staat als Th2, lezen we bij het jaar 1338 dat Henrick van Galencoep (uitspraak: Galenkoop) in Oostbroek was mishandeld. De naam Oostbroek werd gebruikt voor het klooster van Sint Laurens maar ook voor de boerderijen en huizen die in de buurt van het klooster waren gebouwd. Afbeelding: Vechtpartij, een detail van Pieter Bruegel de Jongere, Terugkeer van de herberg.

 

Meer informatie

De daders van de mishandeling waren aan de Utrechtse raad bekend: Tideman Coppe Wilmaerssone, Gheraerd die Ketelaer (de ketelsmid), Graue Hughenzoon, Johan die Witte Reynaer Sacdragherssone (de zoon van Reynaer de Zakkendrager), Gheraerd die mit Jacob vander Vischemarket plach te wonen (die bij Jacob van de Vismarkt placht te wonen)  en Hughe de mit Veren Grieten haren Nyclaes Backers plach te wonen. (Hughe woonde dus bij Vere Griet de dochter van heer Nicolaes Backer.) De Utrechtse raad verbande deze daders uit stad en land, dus uit het hele Nedersticht.

Lichte mishandeling of ‘vechtelic’ werd gewoonlijk afgedaan met een boete of een korte verbanning. Zware mishandeling waarbij wonden werden toegebracht, leidde vaak tot gevangenisstraf, het vragen van vergiffenis aan de stadsraad en een boete. Als de daders de boetes niet konden betalen, werden ze verbannen. Als de daders gevlucht waren, werden ze achteraf ook verbannen.

Bovendien moesten de schuldigen voor verwonding en verminking een schadevergoeding betalen. Daarvoor betond een vast tarief, dat afhankelijk was van de omvang van de verwoning. Die werd opgemeten door een draadje om de wond heen te leggen en dan te kijken hoeveel vingerkootjes lang dat draadje was.

DAB

 

Literatuur:

Het Utrechts Archief, Th2 1338.

D.A. Berents, Misdaad in de middeleeuwen, een onderzoek naar de criminaliteit in het laatmiddeleeuwse Utrecht, diss. 1976, Stichtse Historische Reeks 2, Utrecht 1976.