Ter hoogte van het huidige huis Sluishoef in De Bilt stond ooit de in 1645 opgerichte vingerhoedenfabriek door Jan Claesz. Schot ‘De Vingerhoedsmolen’. Op het hoogtepunt had deze een productie van een miljoen gegoten vingerhoeden en was daarmee de grootse van de vier grote fabrieken in Nederland. Door de sterke buitenlandse concurrentie werd het bedrijf opgeheven in 1800. Op de afbeelding is de ‘Sluishoef’ te zien anno 1828, getekend door A. Verhoesen. (Collectie Het Utrechts Archief)

 

Meer informatie

Op 30 augustus 1626 benoemden de Staten van Utrecht een commissie om de mogelijkheid te onderzoeken om een vaart te graven van Utrecht langs de Steenweg naar De Bilt. Dit was bedoeld om de waterafvoer te verbeteren en om scheepvaartverkeer tussen Utrecht en Zeist mogelijk te maken. Men startte met graven in 1638 en bouwde een sluis met een verval van 1,5 meter. De Grift was een feit.

Ter hoogte van het huidige huis Sluishoef, Utrechtseweg 315, vestigde Jan Claesz. Schot omstreeks 1645 een werkplaats voor het vervaardigen van koperen vingerhoeden.  Hij bouwde aan de door hem gegraven bovenloop van de Grift ook een watermolen om een rad aan te drijven. Dit was nodig voor het aandrijven van slijpschijven. De slijpschijven dienden voor de productie van vingerhoeden en het water kon ook gebruikt worden als koelvloeistof bij het slijpen.

In die tijd waren er in Nederland verschillende bedrijven voor het maken van vingerhoeden. Het bedrijf in De Bilt werd het grootste. Behalve de werkplaats stonden er ook vijf woningen voor de knechten. Het is interessant dat in die tijd de vingerhoedenmakers in de Utrechtse regio een soort trust vormden, waarin onderling afspraken werden gemaakt over productie en prijzen.

In het familiebedrijf van Schot, dat lange tijd bekend was als de vinger-hoed-moole, zijn gedurende 150 jaar heel veel vingerhoeden gemaakt. Op het hoogtepunt van de productie werden er een miljoen vingerhoeden per jaar geproduceerd. Eén knecht kon soms drieduizend vingerhoeden per dag gieten. Een Zweedse diplomaat/geleerde bezocht in 1759 ook de Vingerhoedsmolen. Hij constateerde dat de kwaliteit hoger was dan de Zweedse vingerhoeden en stelde vast dat dit te maken had met het gebruikte zand, dat heel fijn aanvoelde. Waarschijnlijk bouwde men rond 1600 een rosmolen; bij onvoldoende wateraanvoer kon de watermolen nu blijven draaien door paardenkracht.

In 1765 kwam het bedrijf in handen van Cornelis Casius, een zoon van Schots halfzuster. Hij had al een bedrijf in Utrecht, maar hij verkocht dit onder de voorwaarde dat het nooit meer ingericht zou worden als vingerhoedmakerij. Zijn oorspronkelijke bedrijf werd geïntegreerd met De Vingerhoedsmolen in De Bilt. In 1782 werd Casius opgevolgd door zijn schoonzoon Lodewijk van Putten. De opkomende buitenlandse concurrentie veroorzaakte echter een sterke terugloop van de productie. Kort voor 1800 werd De Vingerhoedsmolen opgeheven.

De dochter van Casius verkocht in 1802 een gedeelte van het terrein aan het ernaast gelegen Sandwijck. In 1823 werden de overige grond, het huis en de bijgebouwen van De Vingerhoedsmolen verkocht aan de Amsterdamse fabrikant Hendrikus de Heus. Hij bezat in Amsterdam een fabriek in militaire knopen, roodkoperen bladen en spijkers voor koopvaardijschepen, maar ook een inrichting voor het schoonmaken van centen en duiten van ’s Rijks Munt. Omdat het Amsterdamse water te vies was geworden en de Munt in Utrecht gevestigd was, wilde De Heus de schoonmakerij vestigen in de voormalige Vingerhoedsmolen. De gemeente De Bilt zag dit niet zitten omdat de stoommachine en de koperpletterij te veel vervuiling zouden veroorzaken. De Heus was verbaasd over de tegenwerking van de gemeente; zijn fabriek zou immers aan zeker dertig man werk kunnen bieden en er was tenslotte vroeger altijd een fabriek geweest. De gemeente De Bilt meldde toen desgevraagd aan de Gouverneur dat er in het dorp geen fabrieken aanwezig waren. Uiteindelijk is er toch een vergunning verleend voor alleen de muntenschoonmakerij. Deze onderneming heeft er echter slechts tot 1826 gefunctioneerd. In dat jaar is hij verhuisd naar het Vredenburg in Utrecht.

Uiteindelijk is Sluishoef in 1858 verkocht aan de eigenaar van Sandwijck, C.W.J. baron van Boetzelaer. De Sluishoef is sinds 1971 ingeschreven in het register van beschermde monumenten voor de gemeente De Bilt onder monumentnummer 9574. Het enthousiasme voor vingerhoeden is er nog steeds, getuige het bestaan van De Nederlandse Vingerhoedenclub in  Deventer.

JR

 

Literatuur:

Historische Kring d’Oude School, archiefstukken ‘De Vingerhoedsmolen’

Frans Nas, , Bedrijven in De Bilt II, De vingerhoedsmolen’, in: De Biltse Grift, september 1997.

Jessica Voeten, Een zachtgeel landhuis in De Bilt: de woning van de danseres en de meubelmaker, , NRC.nl, 3 juli 1998.

Catharina L. van Groningen, Leed langs de Lustwarande in de 19e eeuw. De Vingerhoed(s)molen, Jaarboek Monumentenzorg 1998, Buitenplaatsen (1998).