Op 10 april 1723 werd Gerrit Claasse uit de Gagel onder Westbroek veroordeeld tot de galg wegens diefstal, inbraak, roof en geweldpleging. Het zijn misdrijven waarvoor men in onze tijd hooguit een paar jaar gevangenisstraf zou geven. Het vonnis werd voltrokken op het Paardenveld in Utrecht, de gerechtsplaats van het provinciale Hof van Utrecht. Afbeelding: Het Paardenveld vanuit het noordwesten met het schavot en de Peerdeveltse molen in 1720 door een anonieme tekenaar gemaakt naar een prent van Abraham Rademaker. (Het Utrechts Archief)

 

Meer informatie

Ondanks zijn jeugdige leeftijd – hij was naar schatting negentien –  had Gerrit Claasse Boij alias Schonauwen al heel veel op zijn kerfstok. Na zijn arrestatie bekende hij zonder dat men hem hoefde te pijnigen een waslijst van misdaden. Twee jaar eerder was hij boerenknecht. ‘In plaats van trouw en neerstigh te dienen ‘, zo  schrijft het vonnis, was hij weggelopen bij zijn meester. Op de Maarsseveense kermis had hij bij het koekhakken ruzie gekregen met een molenaarsknecht. Hij had hem in de gaten gehouden tot de knecht zich een kwartier later even naar een stille plek terugtrok. Toen had hem ‘terwijl hij sijn water loosde’ onverhoeds van achteren aangevallen en met zijn mes in het gezicht gestoken.

Met een kameraad sprak hij af dat ze op de weg naar Zuilen de eerste de beste die ze tegenkwamen, ‘de beck opsnijden’ zouden. Ze kwamen een hoedenmakersknecht tegen die ze niet kenden en vroegen waar hij naartoe ging. ‘Naar Breukeleveen,’ was het antwoord. ‘Dan moet je rechtdoor lopen,’ zei Gerrit en onverwachts stak hij de jongen met zijn mes in het gezicht.

Daarna waren het vooral diefstallen: een tonnetje boter in Westbroek, dat hij in een bosje verstopte om later te verkopen. Toen hij terugkwam, was het weg. Twee schapen bij de Gagel. Een broek met twee zilveren knopen van een landarbeider.

In augustus 1722 had hij tussen De Bilt en Blauwkapel twee boerenjongentjes aangesproken die uit de Biltse school gekomen waren. Gerrit zei dat hij de knecht van  ‘de dikke bakker van De Bilt’ was. Hij beloofde ze ieder een stuiver als ze hem wilden helpen om een koe uit de weide op te halen, maar dat was een smoes om ze mee te lokken van de weg af. Toen ze in het weiland bij een dwarssloot waren gekomen, trok hij zijn mes en eiste hij de zilveren gespen van hun schoenen. De jongens stonden te huilen en te schreeuwen toen hij de gespen lossneed.

In september had hij ingebroken in een huis in de Gagel omdat hij had gehoord dat de bewoners naar de markt waren. Hij probeerde eerst vergeefs via de koestal binnen te komen en klom toen via het dakraam het huis in. Omdat de luiken dicht waren, stak hij brutaal een lamp aan. De buit: tinnen schotels die op de kast stonden en nadat hij de kast met een bijl had opengebroken vijftien gulden, twee gouden ringen, een paar zilveren gespen en een zilveren beugeltas. Alles verkocht hij in andere plaatsen.

Later stal hij bij Westbroek in het donker  uit de wei een bruine merrie. In oktober drong hij ’s nachts toen de mensen sliepen, binnen in het huis van de gerechtsbode van Westbroek. Hij kwam via de deur van de paardenstal die niet op slot was. Daar stal hij een broek met twee zilveren knopen, wat ander zilvergoed en een koperen tabaksdoos. In Lopik stal hij van zijn werkgever zilvergeld en zilveren gespen en een broek met wel tweeëntwintig zilveren knopen. We krijgen een indruk van welvarende boeren die een deel van hun rijkdom opsloegen in zilveren gespen en knopen en andere sieraden.

Toen werd hij betrapt. De heren van het Hof van Utrecht veroordeelden Gerrit Claasse Boij om te worden gebracht naar ‘de plaats waar men gewoon is de criminele justitie te doen’. Dat was voor het provinciale Hof sinds 1619 het Utrechtse Paardenveld. Daar werd hij gestraft ‘met het koord’ tot de dood erop volgde.

Maar dat was niet genoeg. Tot afschrikwekkend voorbeeld werd zijn lijk naar het Zeyster Zand gebracht, waar het werd opgehangen aan de toongalg. De lichamen van de veroordeelden moesten daar blijven hangen tot ze vergaan waren, waarna men de resten ter plaatse onder de grond stopte.

Dat Zeyster Zand lag ongeveer ter hoogte van het later gebouwde landhuis Ma Retraite aan de Utrechtseweg, dat vanaf 1947 Huize Sint Jan heette. Toen men daar aan het einde van de negentiende eeuw ging graven, vond men er een ijzeren ketting van acht meter lang, een paar balken en geraamtes.

DAB

 

Literatuur:

Het Utrechts  Archief 239-1 Inventaris nr. 99-13 Register van criminele sententies van het Hof van Utrecht nr. 2460, rekest van 19-04-1723.

V.A.M. van der Burg, De galgen onder Zeist, in: Seyst. Nr. 1 (1983) p. 24-25.

Gids voor Zeist, Zeist 1896.

H.G. Jelgersma, Galgebergen en galgevelden, Zutphen 1978.