In 1823 maakte Jacob van Lennep, eenentwintig jaar oud, met zijn vriend en medestudent Dirk van Hogendorp een voetreis door het noordelijke deel van het Koninkrijk der Nederlanden. Zijn ervaringen tijdens die wandeltocht legde hij vast in brieven aan zijn zus Antje, die hij later overschreef in een dagboek. Dat is pas in de twintigste eeuw uitgegeven. Hij schreef ook iets over De Bilt.

 

Meer informatie

Jacob van Lennep (1802 – 1868) zou vooral bekend worden als schrijver van historische romans zoals De roos van Dekama en De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Hij verzorgde ook de uitgave van de werken van Vondel, de gedichten van De Schoolmeester en de Max Havelaar van Multatuli. Verder was hij rijksadvocaat en lid van de Tweede Kamer.

Over de Bilt schreef hij het volgende fragment:

Om half twee aten wij en om half drie verlieten wij het prettige Soestdijk. Na een uur langs een vaart en een uur langs een heideveld gewandeld te hebben, kwamen wij in een dennenbos. Daar haalde mijn neef Fr. van de Poll ons met zijn koets in en vertelde ons dat wij vlak bij Jagtlust waren. Wij gingen daar dus op af en bleven een kwartier met grootmama praten. Oom Van de Poll, die ‘s morgens een flauwte had gehad, vond ik erg mager geworden. De weg naar De Bilt was heel lief. Die naar Utrecht beviel me minder, omdat die te open en te eentonig was. Om zes uur kwamen wij aan in de Zwarte Arend  en daar waren onze spullen.

Grootmama was Cornelia Henriëtta van de Poll (1753-1827), de moeder van Jacobs vader. Haar man Cornelis van Lennep was in 1813 overleden en zij verbleef nu kennelijk bij haar broer Jan. Jagtlust was van 1797 tot 1826 het eigendom van Jan Wolters van de Poll, voormalig burgemeester van Amsterdam en oud-directeur van de kolonie Suriname. Frederik van de Poll was een achterneef.

DAB

 

Literatuur:

J. van Lennep, Lopen met Van Lennep, dagboek van zijn voetreis door Nederland ed. G. Mak en M. Mathijsen, Zwolle 2000. (Hertaling)

  1. Beesemer, Jagtlust van middeleeuwse kloosterboerderij tot eigentijds gemeentehuis, Huizen 2002.